Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL0641

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00959
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 341 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en voeging proces-verbaal

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betrof onder meer de vraag of het proces-verbaal van een terechtzitting in een andere zaak mocht worden gevoegd in het dossier van de verdachte. De verdediging verzette zich hiertegen, stellende dat dit in strijd was met een behoorlijke procesorde.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de motivering voor de voeging toereikend was. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden naar vier jaar en vijf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de Hoge Raad de bestreden uitspraak grotendeels in stand liet.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vier jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

6 april 2010
Strafkamer
Nr. 09/00959
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 november 2008, nummer 22/000080-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Marstal" te Zeeland.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel keert zich onder meer tegen de beslissing van het Hof het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2008 in de zaak tegen [medeverdachte 1] in het dossier van de verdachte te voegen.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2008 houdt het volgende in:
"De voorzitter deelt mede dat de zaak tegen de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd wordt behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. (...)
De advocaat-generaal verzoekt het hof om de griffier terstond proces-verbaal op te laten maken van de zitting van heden in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het oog op een mogelijke voeging van dat proces-verbaal in de onderhavige zaak.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat door de griffier terstond proces-verbaal zal worden opgemaakt van de zitting van heden in de zaak tegen [medeverdachte 1]. Het onderzoek zal daartoe worden onderbroken tot 13:30 uur.
Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting en legt het zojuist opgemaakte proces-verbaal over aan de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal verzoekt het proces-verbaal van de zitting van heden in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] te voegen in het dossier van de verdachte.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek om de raadsman in de gelegenheid te stellen het zojuist overgelegde proces-verbaal te lezen.
Na hervatting van het onderzoek stelt de raadsman dat er een discrepantie is tussen wat het hof heeft opgeschreven en wat hij zelf heeft gehoord. De raadsman verzet zich om die reden tegen voeging van het proces-verbaal van de zitting van heden in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] in het dossier van de verdachte. Voorts voert de raadsman aan dat het in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde om een verklaring van een medeverdachte, die niet als getuige is opgeroepen, op deze manier toch tot het bewijs te laten meewerken. Subsidiair verzoekt de raadsman [medeverdachte 1] te horen als getuige.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de advocaat-generaal tot voeging van het eerder bedoelde proces-verbaal wordt toegewezen."
2.3. Het Hof heeft het verzoek van de Advocaat-Generaal om het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2008 in de zaak tegen [medeverdachte 1], inhoudende onder meer de verklaring van deze [medeverdachte 1], in het dossier van de verdachte te voegen, toegewezen. De toewijzing van dit verzoek geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 341, derde lid, Sv noch omtrent enig - in het middel niet nader geconcretiseerd - beginsel van een behoorlijke procesorde en is, mede gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte dienaangaande ter terechtzitting heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en vijf maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 april 2010.