ECLI:NL:HR:2010:BL1118
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Verjaring van schadevordering na vrijspraak in strafzaak wegens fraude bij bank
De zaak betreft een vordering tot schadevergoeding door twee voormalige bankmedewerkers die strafrechtelijk werden vervolgd wegens vermeende fraude, maar door de rechtbank vrijgesproken zijn van alle ten laste gelegde feiten.
De eisers stelden dat de verjaringstermijn voor hun schadevordering pas zou moeten beginnen na het onherroepelijk worden van het vrijsprekende vonnis. De rechtbank en het hof verwierpen deze stelling en oordeelden dat de verjaringstermijn begon te lopen op de dag na de aanhouding, omdat de eisers vanaf dat moment konden beoordelen of de verdenking terecht was en dus ook of zij schadevergoeding konden vorderen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de eisers. Ook het incidentele cassatieberoep van de Staat werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van een afzonderlijke onrechtmatige daad die een ander aanvangstijdstip van de verjaring zou rechtvaardigen en dat stuiting van de verjaring niet was ingetreden door de brieven van de raadsman van de eisers.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verjaringstermijn voor schadevergoeding begon te lopen op de dag na de aanhouding, ook bij latere vrijspraak.