ECLI:NL:HR:2010:BL1950

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02945
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BPMArt. 25 EGArt. 90 EGWegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat BPM geen heffing van gelijke werking is volgens artikel 25 EG

Belanghebbende heeft BPM betaald en bezwaar gemaakt tegen het bedrag, dat door de Inspecteur werd afgewezen. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een terug te geven bedrag. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad beoordeelde of de BPM een heffing van gelijke werking als een douanerecht is in de zin van artikel 25 EG Pro. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is een last geen heffing van gelijke werking indien deze deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen dat objectieve criteria hanteert, onafhankelijk van oorsprong of bestemming van het goed.

De BPM wordt geheven ongeacht de plaats van fabricage van het voertuig en is niet gekoppeld aan grensoverschrijding. Daarom kwalificeert de BPM niet als een heffing van gelijke werking, maar als een binnenlandse belasting volgens artikel 90 EG Pro. Het middel van belanghebbende faalt en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de BPM-heffing en sluit een kwalificatie als invoerrecht uit.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de BPM is geen heffing van gelijke werking als bedoeld in artikel 25 EG.

Uitspraak

Nr. 08/02945
5 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 mei 2008, nr. 06/6584 BPM, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en een terug te geven bedrag aan BPM vastgesteld. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Op grond van artikel 1 van Pro de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst tot 1 juli 2005) is BPM verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto of een motorrijwiel in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens dan wel, indien geen nieuw kenteken wordt opgegeven, ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 ingeval de personenauto of het motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam.
3.2. Het middel verzet zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de BPM niet kan worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 25 EG Pro, maar een belasting is in de zin van artikel 90 EG Pro. Daartoe voert het middel - onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 9 september 2004, Carbonati Apuani Srl, C-72/03, - aan dat de BPM in wezen wordt geheven van een inwoner van Nederland ter zake van het gebruik van het Nederlandse wegennet met een personenauto, motorrijwiel of bestelauto, welke belasting voor de binnenkomst in Nederland op aangifte moet zijn voldaan voordat komend vanuit het buitenland een aanvang kan worden gemaakt met het gebruik van de weg. Daaraan doet, aldus het middel, niet af dat er ook uitzonderingssituaties zijn waarin de overschrijding van de grens met een personenauto, motorrijwiel of bestelauto niet tot een heffing van BPM leidt, zoals wanneer een in het buitenland woonachtige persoon met een personenauto gebruik gaat maken van de weg. Een heffing die op zodanige wijze onderscheid maakt en wordt opgelegd wegens de bestemming van een goed, komt feitelijk neer op een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 25 EG Pro.
3.3. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is een last geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting in de zin van artikel 90 EG Pro, indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria, die onafhankelijk zijn van de oorsprong of de bestemming van het goed (zie het hiervoor aangehaalde arrest Carbonati Apuani, punt 17).
De BPM wordt geheven met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen ongeacht de plaats waar deze zijn gefabriceerd. Mitsdien is de BPM, die krachtens de wettelijke bepalingen niet ter zake van grensoverschrijding wordt geheven, anders dan het middel betoogt, geen heffing van gelijke werking als een douanerecht. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.