Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL2134

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:85 BWArt. 1:102 BWInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat belastingen naar inkomen geen huishoudelijke uitgaven zijn

Belanghebbende werd op grond van artikel 1:102 BW Pro aansprakelijk gesteld voor de helft van onbetaalde belastingschulden van zijn voormalige echtgenoot uit een periode van 1996 tot en met 2002. Na bezwaar en beroep vernietigde de Rechtbank te 's-Gravenhage de beschikking van de ontvanger en bevestigde het Hof deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de vraag of belastingschulden die betrekking hebben op inkomen kunnen worden aangemerkt als uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding in de zin van artikel 1:85 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval is, omdat dergelijke belastingen een wettelijke verplichting jegens de overheid betreffen en niet direct strekken tot huishoudelijke uitgaven.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en veroordeelde de Minister in de kosten van het geding. Hiermee werd bevestigd dat de aansprakelijkstelling van belanghebbende onterecht was, aangezien de belastingschulden niet tot de huishoudelijke uitgaven behoren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling van belanghebbende wordt vernietigd.

Uitspraak

Nr. 09/01929
21 mei 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 maart 2009, nr. BK-08/00189, betreffende een ten aanzien van X te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 25 oktober 2006 op grond van artikel 1:102 BW Pro aansprakelijk gesteld voor de helft van een aantal aanslagen ten name van B, welke aanslagen zijn vermeld in een bijlage bij de beschikking. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/3044) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Ontvanger vernietigd.
De Ontvanger heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 29 december 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met B (hierna: de echtgenoot) tot de ontbinding van het huwelijk op 28 april 2004. Belanghebbende heeft op 9 juni 2004 afstand gedaan van de huwelijksgoederengemeenschap door de inschrijving van een daartoe strekkende akte in het huwelijksgoederenregister ter griffie van de Rechtbank te Middelburg.
3.1.2. Gedurende het huwelijk dreef de echtgenoot een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft belasting- en premieschulden over de jaren 1996 tot en met 2002 onbetaald gelaten voor een bedrag van € 68.475,38.
3.1.3. Omdat de echtgenoot onvoldoende verhaalsmogelijkheden bood voor deze schulden, heeft de Ontvanger belanghebbende bij beschikking van 25 oktober 2006 op grond van artikel 1:102 BW Pro aansprakelijk gesteld voor de helft van de openstaande schulden op een aantal aanslagen ten name van de echtgenoot.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
3.3. Het tegen dit oordeel gerichte middel berust op de opvatting dat belastingschulden per definitie behoren tot uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding in de zin van artikel 1:85 BW Pro. Deze opvatting is in haar algemeenheid onjuist. In de toelichting op het middel wordt verder betoogd dat van uitgaven als bedoeld in artikel 1:85 BW Pro in ieder geval sprake is bij belastingschulden die zien op belasting geheven naar het inkomen. Ook deze opvatting is onjuist. Betaling van de laatstbedoelde belastingschulden strekt tot voldoening aan wettelijke verplichtingen jegens de overheid, waarna een in beginsel vrij besteedbaar inkomen resteert dat kan worden aangewend voor uiteenlopende doeleinden, al dan niet ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Hiervan uitgaande kan niet worden gezegd dat deze belastingschulden strekken ten behoeve van de gewone gang van de huishouding in de zin van artikel 1:85 BW Pro. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.