ECLI:NL:HR:2010:BL3939
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag tot herziening wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling bij overtreding Wegenverkeerswet
De aanvrager is door de Politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 op 18 februari 2006. Vervolgens is een aanvraag tot herziening ingediend waarin werd gesteld dat sprake was van persoonsverwisseling: de persoon die op de pleegdatum in de auto reed, zou niet de aanvrager zijn geweest, maar een derde die zich had uitgegeven voor de aanvrager.
Ter onderbouwing van deze stelling werd een getypte verklaring overgelegd, gedateerd 7 juli 2007, van de vermeende derde. Deze verklaring was echter niet ondertekend en maakte onvoldoende aannemelijk dat de aanvrager niet de bestuurder was op het moment van de overtreding.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden niet voldeden aan de strenge voorwaarden van artikel 457 Sv Pro voor herziening, omdat zij niet nieuw waren en geen ernstig vermoeden opriepen dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid. Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende aannemelijkheid van persoonsverwisseling.