ECLI:NL:HR:2010:BL6443
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tariefstelling kosten betekening dwangbevel in loonbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode 1999-2002. Omdat zij deze aanslag niet betaalde, werd een dwangbevel betekend en werden vervolgingskosten van €10.295 in rekening gebracht. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Hof, die de kosten bevestigden, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of de tariefstelling van de vervolgingskosten in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het recht op eigendom beschermt. De Hoge Raad oordeelde dat het Eerste Protocol de wetgever een ruime beoordelingsmarge geeft bij de heffing en invordering van belastingen. De Nederlandse wetgever had deze marge niet overschreden met de vaststelling van het tarief in de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
De Hoge Raad benadrukte dat de tariefstelling nauwkeurig in de wet is omschreven, gekoppeld is aan het te innen bedrag en een absoluut maximum kent. Ook het feit dat belanghebbende destijds niet over voldoende middelen beschikte om de belastingschuld te voldoen, leidt niet tot een buitensporige last in strijd met het Protocol.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee werd de uitspraak van het Hof bevestigd dat de vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de tariefstelling van de vervolgingskosten.