ECLI:NL:HR:2010:BL7046
Hoge Raad
- Cassatie
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij vaststelling partneralimentatie ondanks strafrechtelijke veroordeling
In deze zaak stond de bevoegdheid van de rechter centraal om bij de vaststelling van partneralimentatie rekening te houden met het (wan)gedrag van de alimentatiegerechtigde. De vrouw was strafrechtelijk veroordeeld wegens mishandeling van de man, die alimentatieplichtige was.
De rechtbank Utrecht en het gerechtshof Amsterdam hadden eerder uitspraken gedaan over de alimentatie, waarbij de vrouw beroep in cassatie instelde tegen de beslissing van het hof. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en geoordeeld dat de feiten die aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen onvoldoende zijn om tot matiging van de wettelijke onderhoudsbijdrage over te gaan.
De Hoge Raad benadrukte dat de afweging van de feitelijke aard van het gedrag een taak is van de feitenrechter en dat deze afweging in cassatie niet toetsbaar is. Daarmee blijft de wettelijke onderhoudsbijdrage in stand ondanks het strafrechtelijke vonnis.
De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd, en de Hoge Raad wees het beroep van de vrouw af. Hiermee is bevestigd dat het (wan)gedrag van een alimentatiegerechtigde weliswaar meegewogen kan worden, maar dat strafrechtelijke veroordelingen niet automatisch leiden tot matiging van alimentatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat strafrechtelijke veroordeling onvoldoende grond biedt voor matiging van partneralimentatie.