ECLI:NL:HR:2010:BL7267

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03677
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 Wet IB 2001Art. 9 EVRMArt. 14 EVRMArt. 18 IVBPRArt. 26 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling duurzaam gescheiden leven in fiscale partnerregeling Wet IB 2001

Belanghebbende was gehuwd maar leefde met haar echtgenoot in 2005 niet samen in één huishouden; zij woonden apart en ontmoetten elkaar alleen in weekends en vakanties. De vraag was of zij duurzaam gescheiden leefden in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001, zodat zij fiscaal niet als partners moesten worden aangemerkt.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, het Hof gaf haar gelijk en oordeelde dat echtgenoten die minder dan zes maanden een gemeenschappelijke huishouding voeren duurzaam gescheiden leven indien dit als bestendig wordt bedoeld. De Hoge Raad vernietigde het Hof-arrest en bevestigde de Rechtbankuitspraak.

De Hoge Raad stelde dat duurzaam gescheiden leven betekent dat echtgenoten ieder een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat het enkele feit dat zij minder dan zes maanden een gemeenschappelijke huishouding voeren niet voldoende is. De wetgever heeft bewust een onderscheid gemaakt tussen gehuwden en niet-gehuwden en dit is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of de godsdienstvrijheid.

Het beroep op vertrouwen faalde omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor een toezegging van de Belastingdienst. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie van de Staatssecretaris toe, vernietigde het Hof-arrest en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat belanghebbende en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leven in de zin van de Wet IB 2001.

Uitspraak

Nr. 09/03677
11 juni 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 augustus 2009, nr. 08/00383, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/04479) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.B.F. Smit, advocaat te ’s-Gravenhage.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 8 februari 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is op 28 april 2005 in het huwelijk getreden met A (hierna: de echtgenoot).
3.1.2. Voorafgaand aan het huwelijk was de echtgenoot woonachtig in R en werkzaam in R. Belanghebbende was woonachtig en werkzaam in Q.
3.1.3. Na het huwelijk is belanghebbende in Q blijven wonen en de echtgenoot in R. Belanghebbende en de echtgenoot hebben nimmer een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Zij ontmoeten elkaar wel in de weekends, en brengen daarnaast ook (een deel van) de vakanties en de vrije dagen samen door.
3.1.4. In 2005 en 2007 zijn uit het huwelijk twee kinderen geboren. Beide kinderen wonen bij belanghebbende. Zij heeft tevens een dochter uit een vorig huwelijk. Ook dit kind woont bij haar.
3.1.5. Het verzamelinkomen van belanghebbende bedroeg in 2005 € 25.170. Het verzamelinkomen van belanghebbende en de echtgenoot samen bedroeg in dat jaar meer dan € 60.447.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Het Hof heeft die vragen bevestigend beantwoord op de grond dat de echtgenoot en belanghebbende duurzaam gescheiden leven, hetgeen meebrengt dat de echtgenoot niet is aan te merken als partner van belanghebbende in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet). Het Hof heeft daartoe in onderdeel 4.15 van zijn uitspraak geoordeeld dat het begrip duurzaam gescheiden levende echtgenoten zo dient te worden uitgelegd, dat echtgenoten die in een kalenderjaar niet langer dan zes maanden een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd niet (langer) als partners dienen te worden aangemerkt indien deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld. Hiertegen richt zich het middel.
3.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld, dat de wetgever in artikel 1.2 van de Wet een onderscheid maakt tussen gehuwden en niet gehuwden, en dat gehuwden, behoudens de uitzondering van artikel 1.2, lid 4, van de Wet, steeds worden aangemerkt als partners in de zin van deze bepaling. De genoemde uitzondering betreft het geval van een gehuwde persoon die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot.
3.3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het begrip duurzaam gescheiden leven in eerdere regelingen betreffende de inkomstenbelasting en in regelingen betreffende de sociale zekerheid aldus worden uitgelegd, dat hiervan slechts sprake is indien ieder van de echtgenoten afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd, en deze toestand door de echtgenoten, althans door een van hen, als bestendig is bedoeld (zie o.a. HR 10 februari 1960, nr. 14, BNB 1960/77 en HR 21 februari 1973, nr. 17009, BNB 1973/89). De enkele omstandigheid dat de echtgenoten in een kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd is hiertoe niet voldoende, ook niet indien die toestand als bestendig is bedoeld.
3.3.3. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd aan het begrip duurzaam gescheiden leven in artikel 1.2 van de Wet een andere uitleg te geven dan de uitleg gegeven in de onder 3.3.2 bedoelde vaste rechtspraak. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, wijst de enkele wens van de wetgever om gehuwden en ongehuwd samenlevenden in vergelijkbare situaties zoveel mogelijk gelijk te behandelen, niet in een andere richting. De wetgever heeft immers bij de fiscale partnerregeling op dit punt bewust gekozen voor een verschil in behandeling tussen gehuwden en niet gehuwden, zoals blijkt uit de passages uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 4.5 en 4.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De uitleg die het Hof in de slotzin van onderdeel 4.15 van zijn uitspraak aan de woorden duurzaam gescheiden leven heeft gegeven, is niet verenigbaar met deze keuze van de wetgever, die ook in de tekst van de wet tot uitdrukking is gebracht.
3.3.4. Op grond van het bovenstaande moet worden aangenomen dat de wetgever voor artikel 1.2 van de Wet een uitleg van het begrip duurzaam gescheiden leven voor ogen heeft gestaan dat overeenkomt met de vaste rechtspraak, bedoeld in 3.3.2 hierboven.
3.4. Het middel slaagt derhalve. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.5.1. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende en haar echtgenoot in het jaar 2005 niet ieder afzonderlijk een eigen leven leidden als waren zij niet met elkaar gehuwd. Daaraan doet niet af dat zij - behoudens in weekends - ieder een eigen huishouding voerden. Derhalve kunnen belanghebbende en haar echtgenoot niet worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend in de zin van artikel 1.2 van de Wet.
3.5.2. Het Hof is niet toegekomen aan beoordeling van belanghebbendes grief gericht tegen de verwerping van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, welk beroep dient te worden verstaan als een beroep op het verdragsrechtelijke discriminatieverbod. Bij de beoordeling van dit beroep moet worden vooropgesteld dat dit discriminatieverbod niet meebrengt dat elke ongelijke behandeling van gelijke gevallen verboden is, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.
3.5.3. Uit onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal volgt dat het onderhavige verschil in behandeling tussen gehuwden en niet gehuwden verband houdt met het feit dat echtgenoten op grond van de wet een afdwingbare zorgverplichting jegens elkaar hebben. De sociaal-economische band tussen echtgenoten die onder meer hieruit voortvloeit, is in zijn algemeenheid dwingender en hechter dan die tussen ongehuwden. Gelet hierop kan - indien al sprake is van gelijke gevallen - niet worden gezegd dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen echtgenoten en ongehuwden te maken.
Anders dan belanghebbende betoogt is van onderscheid naar godsdienst evenmin sprake, nu de onderhavige wettelijke regeling geloofsovertuiging niet als onderscheidende maatstaf hanteert en er evenmin toe leidt dat de (meeste) belastingplichtigen met een (bepaalde) geloofsovertuiging anders worden behandeld dan belastingplichtigen die zo’n overtuiging niet hebben. Ook vormt de onderhavige regeling geen beperking van de vrijheid die een ieder toekomt om zijn godsdienst te belijden.
3.5.4. Belanghebbendes beroep op het verbod van discriminatie faalt derhalve.
3.5.5. Belanghebbende heeft voor het Hof ook een grief gericht tegen de verwerping van haar beroep op vertrouwen dat zou zijn gewekt door een B. Deze grief faalt eveneens. De Inspecteur heeft voor de Rechtbank verklaard dat er bij de klantenafdeling van de Belastingdienst in Q geen B bekend is. Belanghebbende, op wie de stelplicht en bewijslast rusten van feiten en omstandigheden die haar beroep op het vertrouwensbeginsel steunen, heeft ter zitting van Rechtbank en Hof verklaard te beschikken over een schriftelijk stuk waaruit zou blijken dat B bij de Belastingdienst werkzaam is. Zij heeft dit stuk echter noch aan de Rechtbank, noch aan het Hof overgelegd. Evenmin heeft zij zich voor de Rechtbank of het Hof uitgelaten over de precieze hoedanigheid van B. Aldus heeft zij tegenover de verklaring van de Inspecteur onvoldoende aangevoerd om haar beroep op een toezegging of bewuste standpuntbepaling door of namens de Inspecteur te onderbouwen. Voor zover sprake is geweest van algemene voorlichting heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep op opgewekt vertrouwen terecht en op goede gronden verworpen (vgl. o.a. HR 9 maart 1988, nr. 24199, BNB 1988/148 en HR 3 januari 1990, nr. 26325, BNB 1990/148).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2010.