ECLI:NL:HR:2010:BL7957
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing liquidatie-uitkering en bewijslastverdeling in inkomstenbelasting
Belanghebbende ontving in 1997 een liquidatie-uitkering na de verplaatsing van de zetel van zijn BV naar België en de daaropvolgende liquidatie. Deze uitkering werd niet vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op en verhoogde het met het inkomen verrekende verlies. Na bezwaar en beroep vernietigde de Rechtbank Arnhem de aanslag deels en stelde het tarief op 15%. Het Hof vernietigde echter de uitspraak van de Rechtbank en de navorderingsaanslag, en verminderde de verliesverrekening.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de liquidatie-uitkering niet in Nederland belastbaar was, omdat de werkelijke leiding van de BV zich in België bevond en het belastingverdrag Nederland-België dit verhinderde. Tevens stelde de Hoge Raad dat het niet vermelden van de uitkering in de aangifte niet automatisch leidt tot een omkering van de bewijslast, tenzij sprake is van een aanzienlijk verschil tussen aangegeven en werkelijk verschuldigde belasting.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde de Minister van Financiën in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de normale regels van stelplicht en bewijslast gelden bij dergelijke belastinggeschillen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.