ECLI:NL:HR:2010:BL7957

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02155
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 13 Belastingverdrag Nederland-België 1970Art. 4 Belastingverdrag Nederland-België 1970
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingheffing liquidatie-uitkering en bewijslastverdeling in inkomstenbelasting

Belanghebbende ontving in 1997 een liquidatie-uitkering na de verplaatsing van de zetel van zijn BV naar België en de daaropvolgende liquidatie. Deze uitkering werd niet vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op en verhoogde het met het inkomen verrekende verlies. Na bezwaar en beroep vernietigde de Rechtbank Arnhem de aanslag deels en stelde het tarief op 15%. Het Hof vernietigde echter de uitspraak van de Rechtbank en de navorderingsaanslag, en verminderde de verliesverrekening.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de liquidatie-uitkering niet in Nederland belastbaar was, omdat de werkelijke leiding van de BV zich in België bevond en het belastingverdrag Nederland-België dit verhinderde. Tevens stelde de Hoge Raad dat het niet vermelden van de uitkering in de aangifte niet automatisch leidt tot een omkering van de bewijslast, tenzij sprake is van een aanzienlijk verschil tussen aangegeven en werkelijk verschuldigde belasting.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde de Minister van Financiën in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de normale regels van stelplicht en bewijslast gelden bij dergelijke belastinggeschillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.

Uitspraak

Nr. 09/02155
19 maart 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 april 2009, nr. 07/00134, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 1997 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Gelijktijdig met het vaststellen van deze navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking het bedrag van het met het inkomen verrekende verlies verhoogd.
De navorderingsaanslag en de verliesverrekenings-beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/281) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de toepassing van het tarief, bepaald dat de Inspecteur de liquidatie-uitkering dient te belasten tegen een tarief van 15 percent en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep in eerste aanleg gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd, en het bedrag van de verliesverrekeningsbeschikking verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In 1995 is belanghebbende verhuisd van Nederland naar België.
3.1.2. Belanghebbende bezat alle certificaten van aandelen in M Beheer B.V. (hierna: de BV). Op 1 april 1996 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van de BV besloten de zetel van de vennootschap te verplaatsen naar België. Bij Belgische notariële akte van 25 juni 1996 is dit besluit geformaliseerd. In de loop van 1997 is het besluit genomen tot liquidatie van de BV en hebben de ontbinding en vereffening plaatsgevonden. Belanghebbende heeft in het kader daarvan in 1997 een liquidatie-uitkering ontvangen van ƒ 130.100.000.
3.1.3. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1997 een aangiftebiljet C (inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997/ vermogensbelasting 1998) uitgereikt. Belanghebbende heeft aangifte gedaan. De liquidatie-uitkering is niet in de aangifte vermeld. Vraag 19c in het biljet, luidende "Voor welke inkomsten doet u een beroep op de vrijstelling van belasting?", is niet beantwoord.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de plaats van de werkelijke leiding van de BV zich ten tijde van de liquidatie-uitkering in België bevond. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat artikel 13, in samenhang met artikel 4 van Pro het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag) zich ertegen verzet dat Nederland belasting heft over de door belanghebbende als inwoner van België verkregen liquidatie-uitkering. Aangezien de navorderingsaanslag reeds op die grond moet worden vernietigd, behoeven de overige geschilpunten naar 's Hofs oordeel geen behandeling.
3.3. Tegen dit oordeel keert zich het middel met de klacht dat het Hof een oordeel heeft gegeven over de plaats van werkelijke leiding van de BV zonder eerst zich te hebben uitgesproken over het geschilpunt of op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bewijslast diende te worden omgekeerd wegens het niet zijn gedaan van de vereiste aangifte.
3.4.1. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.
3.4.2. Voor het Hof was in geschil of de liquidatie-uitkering in Nederland belastbaar was, en derhalve ook of het niet in de aangifte opnemen van de liquidatie-uitkering tot het hiervoor in 3.4.1 omschreven gevolg leidde. Laatstbedoelde vraag diende, gelijk het Hof in dit geval ook heeft gedaan, te worden beantwoord aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, LJN BH1083, BNB 2010/47). Omdat het Hof niet kwam tot een bevestigende beantwoording van die vraag, heeft het Hof terecht aan het aangifteverzuim geen consequenties verbonden voor de verdeling van de bewijslast en de zwaarte daarvan.
4. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2010.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.