ECLI:NL:HR:2010:BL9105
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter van Kan
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Toepassing schadevergoedingsmaatregel bij overlijden benadeelde partij in strafproces
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor poging tot zwaar lichamelijk letsel. De benadeelde partij had in eerste aanleg een vordering tot immateriële schadevergoeding van €400,- ingediend, welke was toegewezen. Na het overlijden van de benadeelde partij in hoger beroep, ontstond discussie over de voortzetting en toewijzing van deze vordering.
De verdediging stelde dat immateriële schade niet overdraagbaar is aan erfgenamen en dat de schadevergoedingsmaatregel niet meer kon worden opgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat de voeging van de benadeelde partij in hoger beroep van rechtswege voortduurde en dat het overlijden van de benadeelde partij geen beletsel vormt voor toewijzing van de vordering, ook niet voor immateriële schade.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat de aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer niet vervalt door het overlijden van het slachtoffer en dat de schadevergoedingsmaatregel volgens art. 36f Sr ook ten behoeve van de erfgenamen kan worden opgelegd. De rechter hoeft niet expliciet te bepalen dat de maatregel ten behoeve van de erfgenamen wordt opgelegd; oplegging ten behoeve van het slachtoffer is voldoende.
Het beroep in cassatie van de verdachte werd verworpen, waarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof in stand bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel ook na overlijden van de benadeelde partij kunnen worden toegewezen.