ECLI:NL:HR:2010:BM0151
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep ondanks overschrijding redelijke termijn bij voorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad beoordeelt het middel van cassatie en concludeert dat dit niet tot cassatie kan leiden, zodat geen nadere motivering noodzakelijk is.
Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aard van de opgelegde straf, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, acht de Hoge Raad het niet nodig om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden.
De Hoge Raad besluit daarom het beroep te verwerpen en bevestigt hiermee het arrest van het gerechtshof. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 1 juni 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorwaardelijke gevangenisstraf blijft gehandhaafd.