ECLI:NL:HR:2010:BM0371
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over waardestijging blote eigendom onroerende zaak in Nederland
Belanghebbende, woonachtig in België, werd navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 1998 en 1999 wegens inkomsten uit de waardestijging van zijn blote eigendom van onroerende zaken in Nederland, voortvloeiend uit het verstrijken van het vruchtgebruik. Deze aanslagen werden door de Inspecteur gehandhaafd, waarna de rechtbank en het hof de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaarden.
Belanghebbende stelde dat het Belastingverdrag Nederland-België en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM verhinderden dat dit rendement werd belast. De Hoge Raad oordeelde dat het Verdrag Nederland het recht geeft inkomsten uit in Nederland gelegen onroerende zaken te belasten en dat het rendement als inkomsten uit exploitatie van onroerende zaken moet worden gezien. Het feit dat het om fictieve inkomsten gaat, staat niet aan heffing in de weg.
Ook het argument dat de invoering van artikel 25b Wet IB 1964 zonder eerbiedigende werking een schending van het Protocol vormt, werd verworpen. De Hoge Raad stelde dat de verwachting van belanghebbende dat hij ongestoord van zijn blote eigendom zou kunnen genieten, niet leidt tot een schending van het Protocol. Daarnaast faalden ook de argumenten over gedwongen verkoop en het ontbreken van kasinkomsten.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de belastingheffing over de waardestijging van de blote eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken.