ECLI:NL:HR:2010:BM2436
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid betekening appeldagvaarding bij onbekende verblijfplaats verdachte
In deze strafzaak stond de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep centraal. Verdachte was niet langer ingeschreven op het oorspronkelijk opgegeven adres in de gemeentelijke basisadministratie en had geen vaste woon- of verblijfplaats meer. Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend op het adres dat door de raadsman van verdachte bij het instellen van het hoger beroep was opgegeven, ondanks dat de dagvaarding niet persoonlijk kon worden uitgereikt.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet onjuist had geoordeeld dat het oorspronkelijke adres niet meer als feitelijke woon- of verblijfplaats kon gelden omdat dit door een later opgegeven adres was achterhaald. De Hoge Raad verwierp het middel dat de dagvaarding onrechtmatig zou zijn betekend.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige middelen faalden, waarna het arrest werd gewezen door de Hoge Raad op 15 juni 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde de betekening van de appeldagvaarding rechtsgeldig en verminderde de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.