ECLI:NL:HR:2010:BM3280

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01775
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 6 AwrArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omkering en verzwaring bewijslast bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 1996, 1997 en 1998 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na bezwaar werden de navorderingsaanslagen verminderd en de aanslag gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 25, lid 6, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) niet vereist dat de belastingplichtige met opzet een onjuiste aangifte doet om de bewijslast om te keren en te verzwaaren. Ook als de belastingplichtige zich bewust had moeten zijn dat door de onjuiste aangifte een aanzienlijk belastingbedrag niet werd geheven, kan de bewijslast worden omgekeerd.

De overige middelen van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.

Uitspraak

Nr. 09/01775
7 mei 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 maart 2009, nrs. 07/00359, 07/00360 en 07/00361, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1996 en 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De navorderingsaanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur, verminderd en de aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur, gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 06/2836, 06/2837 en 06/2838) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel faalt. Anders dan het middel betoogt vereist artikel 25, lid 6, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor omkering en verzwaring van de bewijslast niet dat de belastingplichtige met opzet een onjuiste aangifte heeft gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte kan ook plaatsvinden indien een belastingplichtige zich ervan bewust moest zijn dat door het doen van de onjuiste aangifte een aanzienlijk belastingbedrag niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, LJN BH1083, BNB 2010/47).
3.2. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.