ECLI:NL:HR:2010:BM3280
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omkering en verzwaring bewijslast bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 1996, 1997 en 1998 in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Na bezwaar werden de navorderingsaanslagen verminderd en de aanslag gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze uitspraak. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 25, lid 6, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) niet vereist dat de belastingplichtige met opzet een onjuiste aangifte doet om de bewijslast om te keren en te verzwaaren. Ook als de belastingplichtige zich bewust had moeten zijn dat door de onjuiste aangifte een aanzienlijk belastingbedrag niet werd geheven, kan de bewijslast worden omgekeerd.
De overige middelen van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.