ECLI:NL:HR:2010:BM3642
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gevaarlijkheid van hond en verwerpt cassatieberoep wegens onvoldoende zorg voor onschadelijk houden
Op 24 juli 2007 liet de verdachte haar twee honden, waaronder een kruising tussen een Rottweiler en een herdershond genaamd Cha Cha, onbeheerd achter op een onvoldoende afgesloten terrein. De honden wisten het terrein te verlaten en veroorzaakten bijtenissen bij twee personen, waaronder een politieagente.
Het hof oordeelde dat de hond Cha Cha reeds vóór het incident als gevaarlijk voor personen kon worden aangemerkt, mede op basis van verklaringen van de verdachte zelf en getuigenverklaringen. De verdachte voerde aan dat de honden niet als gevaarlijk konden worden beschouwd omdat zij niet eerder incidenten hadden veroorzaakt, maar dit werd door het hof verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof dat de hond als gevaarlijk dier in de zin van artikel 425, tweede lid, Sr kan worden aangemerkt, geen onjuiste rechtsopvatting bevat en voldoende gemotiveerd is. Het cassatieberoep werd verworpen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolgen heeft vanwege de geringe opgelegde sanctie en de omstandigheden van het geval.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte wegens onvoldoende zorg voor het onschadelijk houden van een gevaarlijk dier en verwerpt het cassatieberoep.