ECLI:NL:HR:2010:BM4092
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingesteld tegen de betrokkene. Het Gerechtshof te Leeuwarden had eerder een uitspraak gedaan, waartegen betrokkene cassatieberoep instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de ingebrachte middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Hoewel de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, achtte de Hoge Raad dit geen reden om het beroep anders te behandelen. De overschrijding werd erkend, maar de compensatie hiervoor kan worden toegepast in de hoofdzaak. De Hoge Raad volstaat met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden zonder verdere rechtsgevolgen te verbinden.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het Gerechtshof gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 14 september 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof gehandhaafd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.