ECLI:NL:HR:2010:BM4095
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Faillissement staat niet in de weg aan strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv
In deze zaak stond de vraag centraal of een faillissement in de weg staat aan het leggen van strafvorderlijk beslag op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De curator in het faillissement van betrokkene verzocht om opheffing van het beslag dat was gelegd op goederen en geldbedragen die toebehoorden aan de gefailleerde.
De rechtbank oordeelde dat het beslag rechtmatig was gelegd en dat het faillissement niet verhinderde dat het beslag werd gehandhaafd. De rechtbank motiveerde dat strafvorderlijk beslag op grond van art. 94 Sv Pro een ander doel dient dan het verhalen van schulden en dat het faillissementsbeslag niet ziet op het veiligstellen van bewijs of voorwerpen die verbeurd kunnen worden verklaard.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het faillissement als algemeen beslag de afzonderlijke maatregelen van schuldeisers vervangt, maar dat dit niet geldt voor strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv Pro. Wel vervalt conservatoir beslag ex art. 94a Sv bij faillissement. Het arrest benadrukt dat strafvorderlijk beslag gericht is op waarheidsvinding en het veiligstellen van bewijs, en dus losstaat van de positie van de overheid als schuldeiser.
Het beroep van de curator werd verworpen, waarmee het beslag gehandhaafd bleef. De uitspraak geeft belangrijke duidelijkheid over de verhouding tussen faillissementsrecht en strafvorderlijk beslag.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat faillissement niet verhindert dat strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv wordt gelegd en handhaaft het beslag.