ECLI:NL:HR:2010:BM4097

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04855 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen de hoogte van het opgelegde bedrag.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag en vermindert dit bedrag tot € 2.850,-. Het cassatiemiddel wordt verworpen omdat het niet leidt tot cassatie en geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat aanleiding geeft tot vermindering van de betalingsverplichting. De overige onderdelen van het beroep worden verworpen en de beslissing wordt op 22 juni 2010 uitgesproken door de Hoge Raad.

Uitkomst: Het bedrag van de ontneming wordt verminderd tot € 2.850,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22 juni 2010
Strafkamer
nr. 08/04855 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juni 2008, nummer 22/002561-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 3.000,-.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 2.850,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 juni 2010.