ECLI:NL:HR:2010:BM4127
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toelaatbaarheid getuigenverklaring met voorbehoud in mishandelingszaak
In deze strafzaak stond de vraag centraal of een getuigenverklaring die de woorden 'volgens mij' bevat, toelaatbaar is als bewijs in een mishandelingszaak. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte op 27 oktober 2006 te Rotterdam opzettelijk mishandelde door het slachtoffer te slaan en te trappen, waarbij het bewijs mede steunde op een verklaring van een getuige die sprak over een klap die verdachte aan het slachtoffer gaf, voorafgegaan door de woorden 'volgens mij'.
De verdediging stelde in cassatie dat deze verklaring een ontoelaatbare mening, gissing of gevolgtrekking bevatte, en dus niet als bewijs mocht dienen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de woorden 'volgens mij' terecht had opgevat als een uiting van het bewustzijn van de getuige over de feilbaarheid van zijn waarneming en geheugen, waardoor de verklaring toelaatbaar bleef.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar gelet op de lichte straf (taakstraf van dertig uur, subsidiair vijftien dagen hechtenis voorwaardelijk) en de mate van overschrijding, geen rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor mishandeling.