ECLI:NL:HR:2010:BM4423
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. De raadsman stelde zes middelen van cassatie voor, waarvan het zesde middel werd ingetrokken. De Advocaat-Generaal adviseerde tot een verbeterde lezing van de bewezenverklaring en vermindering van de straf, maar verwierp het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was. Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf en verminderde deze tot elf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding redelijke termijn.