ECLI:NL:HR:2010:BM5282
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vrijspraak wegens onjuiste uitleg wederrechtelijk binnendringen volgens art. 138 Sr
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 6 november 2006 wederrechtelijk was binnengedrongen in een besloten lokaal, te weten een flat in Amsterdam, in gebruik bij een woningstichting. Het hof sprak verdachte vrij omdat het oordeelde dat het niet wettig bewezen kon worden dat verdachte wederrechtelijk in de flat verbleef, mede omdat de toegang voor een jaar was ontzegd via een brief van de politie, maar het hof vond onvoldoende grond dat dit op het tijdstip van het binnendringen redelijkerwijs kon worden vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de uitdrukking 'wederrechtelijk binnengedrongen' in de tenlastelegging onjuist had uitgelegd en daarmee de grondslag van de tenlastelegging had verlaten. Volgens de Hoge Raad betekent wederrechtelijk binnendringen het betreden van een woning of besloten lokaal bij een ander in gebruik tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende. Het betreden na ontvangst van een toegangsontzegging levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen op, tenzij bijzondere omstandigheden dat anders maken, welke het hof niet had vastgesteld.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de vrijspraak betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De uitspraak benadrukt dat een toegangsontzegging voor een bepaalde periode in principe voldoende is om wederrechtelijk binnendringen aan te nemen, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangetoond.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste uitleg van wederrechtelijk binnendringen.