ECLI:NL:HR:2010:BM6082
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Overgang conservatoir derdenbeslag in executoriaal beslag bij kortgedingvonnis
In deze zaak stond centraal of een conservatoir derdenbeslag overging in een executoriaal derdenbeslag, terwijl de executoriale titel werd verkregen in een kortgedingprocedure buiten de door de president gestelde termijn. DVO legde conservatoir derdenbeslag onder DHV ter verzekering van een vordering op UTC. De president stelde een termijn van veertien dagen voor het instellen van de hoofdzaak.
DVO stelde tijdig een bodemprocedure in, maar verkreeg de executoriale titel in een kortgedingvonnis waarin de vordering in reconventie werd toegewezen, na de termijn. DHV betaalde aan DVO, maar HCB, als pandhouder van de vorderingen van UTC op DHV, vorderde betaling van DHV aan haar, stellende dat het beslag pas executoriaal was geworden bij de bodemuitspraak.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van HCB af. De Hoge Raad bevestigde dat het conservatoir beslag overging in executoriaal beslag door het kortgedingvonnis, ook al was de executoriale titel buiten de termijn verkregen, omdat de vordering in de bodemprocedure wel tijdig was ingesteld en het kortgedingvonnis dezelfde vordering betrof. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het pandrecht van HCB geen werking had tegen het beslag vanwege de blokkerende werking van het beslagrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van HCB wordt verworpen; het conservatoir derdenbeslag is overgegaan in executoriaal beslag door het kortgedingvonnis en DHV heeft bevrijdend betaald aan DVO.