ECLI:NL:HR:2010:BM6652
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid enkelvoudige kamer Hof bij ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of de enkelvoudige kamer van het gerechtshof bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige kamer, beroep in cassatie ingesteld. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag.
De Hoge Raad stelde vast dat de opvatting dat alleen de meervoudige kamer van een hof bevoegd zou zijn tot kennisneming van dergelijke vorderingen onjuist is. Dit volgt onder meer uit artikel 367 van Pro het Wetboek van Strafvordering en de memorie van toelichting bij de wet die de maatregel van ontneming verruimde. De enkelvoudige kamer kan dus ook dergelijke vorderingen behandelen, zeker wanneer het om eenvoudige zaken gaat.
Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar volgde. Dit leidde tot vermindering van het te betalen bedrag van €7.000 naar €6.300.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd bevestigd dat de enkelvoudige kamer bevoegd is en werd de betalingsverplichting aangepast wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de enkelvoudige kamer en vermindert het opgelegde bedrag tot €6.300 wegens termijnoverschrijding.