ECLI:NL:HR:2010:BM6918

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01955 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling medeplichtigheid bij bedreiging met mes in jeugdzaak

In deze jeugdzaak stond de verdachte terecht voor medeplichtigheid aan bedreiging met een mes gericht tegen het leven van het slachtoffer. De medeverdachte maakte dreigende steekbewegingen met een opengeklapt mes, waarbij de verdachte hem behulpzaam was door het mes ter beschikking te stellen.

De verdediging voerde aan dat de medeverdachte was veroordeeld voor poging tot doodslag en niet voor bedreiging, en betwistte daarmee de kwalificatie van medeplichtigheid. De Hoge Raad oordeelde echter dat de tenlastelegging van medeplichtigheid een omschrijving moet bevatten van het aan de dader verweten misdrijf, en dat bij bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de gedragingen zoals omschreven in de tenlastelegging.

De Hoge Raad benadrukte dat het niet vereist is dat de omschrijving van het misdrijf waarvoor de medeplichtigheid wordt bewezen exact overeenkomt met het misdrijf dat aan de dader zelf is tenlastegelegd. Het middel van de verdediging faalde derhalve en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd betreffende medeplichtigheid aan bedreiging.

Uitspraak

7 september 2010
Strafkamer
Nr. 09/01955 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 mei 2009, nummer 24/002706-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt over de uitleg die het Hof kennelijk aan het begrip medeplichtigheid heeft gegeven.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"[Medeverdachte] op 6 juni 2008 te Zuidhorn, [slachtoffer] beeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft [medeverdachte] opzettelijk dreigend met een opengeklapt mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer], waarbij verdachte op 6 juni 2008 te Zuidhorn, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte aan die [medeverdachte] zijn mes ter beschikking gesteld."
3.2.2. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht".
3.2.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte het volgende aangevoerd:
"[Medeverdachte] is veroordeeld voor poging tot doodslag en niet voor bedreiging."
Het Hof heeft aan die opmerking geen nadere overweging gewijd.
3.3. De tenlastelegging van medeplichtigheid dient een omschrijving te bevatten van het aan de dader verweten misdrijf. Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van deze in de tenlastelegging en bewezenverklaring omschreven gedragingen van de dader (vgl. HR 27 oktober 1987, LJN AD0021, NJ 1988, 492). Niet is vereist dat die omschrijving overeenstemt met de omschrijving van het misdrijf dat (eventueel) aan de dader zelf is tenlastegelegd. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 september 2010.