ECLI:NL:HR:2010:BM6997

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04483 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek moordzaak wegens ontbreken nieuw bewijs

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de aanvrager is veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf wegens moord. De aanvrager stelde dat nieuw onderzoek het tijdstip van overlijden van het slachtoffer anders vaststelde dan het hof had aangenomen, wat volgens hem tot vrijspraak of ontslag van vervolging zou moeten leiden.

De Hoge Raad onderzocht of het nieuwe bewijs, waaronder een postmortale tijdsintervalbepaling en aanvullend onderzoek namens de aanvrager, een novum vormde dat het eerdere oordeel zou kunnen wijzigen. Uit het dossier bleek echter dat het hof niet was uitgegaan van een exact tijdstip van overlijden maar slechts had vastgesteld dat het slachtoffer op 10 december 2004 was overleden.

Verder bleek dat de aanvrager aantoonbaar niet aanwezig was op het moment dat het slachtoffer volgens het nieuwe onderzoek zou zijn overleden, waardoor het nieuwe bewijs geen ernstige twijfel aan de schuld opriep. De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage geen omstandigheden bevatte die tot herziening konden leiden en wees het verzoek af.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot 16 jaar gevangenisstraf wegens moord.

Uitspraak

8 juni 2010
Strafkamer
nr. 09/04483 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 maart 2007, nummer 20/003445-06, ingediend door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Nieuwegein.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 13 september 2006 - de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt in de eerste plaats aangevoerd dat uit nader onderzoek is gebleken dat het tijdstip van overlijden van het slachtoffer, waarvan het Hof op basis van een zogenoemde 'postmortale tijdsintervalbepaling' zou zijn uitgegaan, niet juist kan zijn. Uit die tijdsintervalbepaling volgt dat het tijdstip van overlijden tussen 10.30 uur en 16.30 uur moet zijn gelegen, terwijl uit een "nader, namens [A] verricht onderzoek" blijkt dat het slachtoffer na 16.00 uur is overleden. Nu uit het dossier blijkt dat de aanvrager tussen 16.00 en 17.20 uur aantoonbaar niet aanwezig is geweest in het huis waar het slachtoffer zich bevond, levert een en ander volgens de aanvrager een omstandigheid op als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.3. Nog daargelaten dat noch uit de aanvrage noch uit de daaraan aangehechte bijlagen blijkt wat de status is van het "namens [A] verrichte onderzoek" en door wie dat is verricht, levert de aangevoerde omstandigheid geen novum op.
Anders dan in de aanvrage wordt gesteld blijkt uit de bewijsvoering van het Hof niet dat het is uitgegaan van het tijdstip dat uit de postmortale tijdsintervalbepaling volgt. Het Hof heeft wat betreft het moment van overlijden van het slachtoffer niet meer vastgesteld dan dat het slachtoffer "op enig moment op 10 december 2004" om het leven is gebracht.
3.4. Ook overigens houdt de aanvrage niets in wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 8 juni 2010.