ECLI:NL:HR:2010:BM7266

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04535
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid navordering inkomstenbelasting film-CV

Belanghebbende werd over het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd vanwege een verliescorrectie bij zijn deelname in een film-commanditaire vennootschap (CV). De Inspecteur corrigeerde het verlies omdat de CV volgens hem geen onderneming dreef. De Rechtbank te Breda vernietigde de navorderingsaanslag, maar het Hof 's-Hertogenbosch herstelde deze uitspraak en verklaarde de beroepen ongegrond.

In cassatie stond centraal of de navordering terecht was omdat zij was gebaseerd op een zogenaamd nieuw feit, namelijk de ontdekking van een 'license agreement' die aantoonde dat de film niet voor rekening en risico van de CV werd geëxploiteerd. De Hoge Raad oordeelde dat dit feit inderdaad los stond van de feiten die ten tijde van de oorspronkelijke aanslag bekend waren en dat dit een rechtvaardiging vormt voor navordering.

De Hoge Raad verwierp de klachten tegen het oordeel van het Hof en stelde dat het oordeel geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en voldoende gemotiveerd was. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 08/04535
12 november 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 september 2008, nrs. 07/00181 en 07/00182, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een beschikking inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nrs. AWB 06/2832 en AWB 06/3270) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslag en de beschikking vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank vernietigd en de beroepen tegen de uitspraken van de Inspecteur ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 11 mei 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft ter zake van zijn deelname als commanditaire vennoot in A C.V. (hierna: de CV) in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 een verlies uit onderneming aangegeven. Bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 met dagtekening 30 november 2001 heeft de Inspecteur op dit punt de aangifte gevolgd. Met dagtekening 8 november 2005 is vervolgens de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd, waarbij het desbetreffende verlies alsnog is gecorrigeerd omdat de CV naar de mening van de Inspecteur geen onderneming dreef.
3.2.1. In cassatie is in geschil of het vereiste van het zogenoemde nieuw feit aan de onderhavige navordering in de weg stond.
3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat grond voor navordering opleverde de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was of had kunnen zijn, zodat het bepaalde in artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet aan navordering in de weg staat. In dit verband heeft het Hof overwogen dat de navorderingsaanslag is gebaseerd op de ontdekking van de - in 2.1.10 van 's Hofs uitspraak weergegeven - 'license agreement' en dat dit een feit vormt dat los staat van de feiten waarvan de Inspecteur ten tijde van de aanslagregeling op de hoogte was of had kunnen zijn. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 4 mei 1988, nr. 25370, LJN ZC3828, BNB 1988/209, en 17 november 1999, nr. 34702, LJN AA2629, BNB 2000/7, heeft overwogen, levert deze ontdekking - aldus nog steeds het Hof - een feit op dat oplegging van de onderhavige navorderingsaanslag rechtvaardigt.
3.2.3. De klachten die zich richten tegen de hiervoor in 3.2.2 vermelde oordelen van het Hof, falen. In aanmerking genomen 's Hofs oordeel dat de license agreement aan het licht bracht het tot dan toe aan de Inspecteur onbekende feit dat de film niet voor rekening en risico van de CV was geëxploiteerd, alsmede 's Hofs hierop gebaseerde conclusie dat de CV geen onderneming dreef, welke oordelen in cassatie niet worden bestreden, geeft het oordeel van het Hof dat de Inspecteur aan de navorderingsaanslag een nieuw feit ten grondslag kon leggen dat los stond van de feiten waarvan hij ten tijde van de vaststelling van de primitieve aanslag op de hoogte was of had kunnen zijn, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, A.R. Leemreis, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2010.