ECLI:NL:HR:2010:BN0007

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01350
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen vrijspraak ten aanzien van feit 1

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd vrijgesproken van feit 1. Het hof sprak verdachte vrij, waarna het Openbaar Ministerie en verdachte in cassatie gingen. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij het instellen van cassatie tegen de vrijspraak. Hierdoor werd hij niet-ontvankelijk verklaard voor dat onderdeel van het beroep.

De advocaat-generaal had geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor de beslissingen met betrekking tot feit 1 en het beroep voor het overige moest worden verworpen. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp de overige middelen zonder nadere motivering, omdat deze geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 16 november 2010. De uitspraak bevestigt dat cassatieberoep tegen een vrijspraak alleen ontvankelijk is indien er een rechtens te respecteren belang bestaat, wat hier ontbrak.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie tegen de vrijspraak van feit 1 en het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

16 november 2010
Strafkamer
Nr. 09/01350
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2009, nummer 23/005867-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof heeft nagelaten de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit nietig te verklaren, dan wel heeft nagelaten het Openbaar Ministerie (gedeeltelijk)
niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ter zake van feit 1.
2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Noch uit het middel noch uit de overige stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt, blijkt dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen die vrijspraak. Dat brengt mee dat hij in zoverre niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep, zodat het middel onbesproken moet blijven.
3. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 november 2010.