ECLI:NL:HR:2010:BN0008
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en aanzegging getuige
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte, tevens getuige in de zaak, had zich tijdens de terechtzitting beroepen op zijn verschoningsrecht. Het hof had nagelaten om de getuige aan te zeggen dat hij bij een nadere terechtzitting zonder nadere oproeping aanwezig moest zijn.
De Hoge Raad overwoog dat het hof op grond van de wet (art. 319 lid 3 jo Pro. 331 lid 1 jo. 415 Sv) weliswaar had moeten bepalen dat de aanwezigheid van de getuige bij de nadere behandeling werd vereist, tenzij dit de verdediging zou schaden. Echter, aangezien de getuige zich op zijn verschoningsrecht had beroepen en de raadsman bij de nadere zitting niet had gepersisteerd in het verzoek om de getuige te horen, was er geen in rechte te respecteren belang bij de klacht over het ontbreken van de aanzegging.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwees de zaak terug naar het hof voor herziening van de strafmaat.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.