ECLI:NL:HR:2010:BN0043
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld van een verdachte die veroordeeld was tot een gevangenisstraf van zeven jaren. De raadsman van de verdachte stelde dat de processtukken niet volledig waren, maar heeft geen schriftelijk verzoek om aanvulling ingediend zoals vereist volgens het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008 en art. 437 lid 2 Sv Pro. Hierdoor kon dit middel niet tot cassatie leiden.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren naar zes jaren en acht maanden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De bestreden uitspraak werd aldus vernietigd uitsluitend wat betreft de duur van de straf, en het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 november 2010, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos de uitspraak deden.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.