ECLI:NL:HR:2010:BN0043

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03684
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. IV.3 Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008Art. 437 lid 2 SvArt. 434 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld van een verdachte die veroordeeld was tot een gevangenisstraf van zeven jaren. De raadsman van de verdachte stelde dat de processtukken niet volledig waren, maar heeft geen schriftelijk verzoek om aanvulling ingediend zoals vereist volgens het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008 en art. 437 lid 2 Sv Pro. Hierdoor kon dit middel niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren naar zes jaren en acht maanden.

De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De bestreden uitspraak werd aldus vernietigd uitsluitend wat betreft de duur van de straf, en het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 november 2010, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos de uitspraak deden.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

16 november 2010
Strafkamer
Nr. 09/03684
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2009, nummer 23/005727-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord, locatie Zuyder Bos" te Heerhugowaard.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat zich bij de op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad gezonden stukken niet bevindt de verklaring die [getuige 10] als getuige in de zaken tegen de medeverdachten op 29 augustus 2006 tegenover de Rechter-Commissaris heeft afgelegd en die door het Hof als bewijsmiddel is gebezigd.
3.2. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet ingevolge art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt. 147, binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 november 2010.