ECLI:NL:HR:2010:BN1022

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00697 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 1 MeststoffenwetArt. 3 Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijenArt. 457 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek in zaak overtreding Meststoffenwet wegens ontbreken investeringsverplichting onder Interimwet

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 1996, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van artikel 14, lid 1 van de Meststoffenwet. De aanvrager stelde dat hij op grond van artikel 3 van Pro de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen aanspraak had op een hogere referentiehoeveelheid fosfaat vanwege investeringsverplichtingen voor uitbreiding van zijn pluimveehouderij.

Het hof verwierp dit verweer omdat niet aannemelijk was geworden dat de verdachte vóór 3 november 1984 investeringsverplichtingen was aangegaan zoals vereist door de Interimwet. De aanvrager had verklaard dat hij zijn bedrijf in 1981 was gestart met een hinderwetvergunning voor 41.400 slachtkippen en later uitbreidingen had gerealiseerd, maar hij erkende dat hij meer produceerde dan toegestaan volgens de Meststoffenwet.

De Hoge Raad overwoog dat na de inwerkingtreding van artikel 14 van Pro de Meststoffenwet op 1 januari 1987 geen aanspraken meer konden worden ontleend aan de Interimwet. De aanvrager kon daarom niet profiteren van uitbreidingen die onder de Interimwet waren toegestaan maar niet waren verwezenlijkt onder de Meststoffenwet. Het verzoek tot herziening werd dan ook afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen en de veroordeling wegens overtreding van de Meststoffenwet blijft in stand.

Uitspraak

13 juli 2010
Strafkamer
Nr. 10/00697 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 8 juli 1996, nummer 21/002344-95, ingediend door mr. M.J. Jansma, advocaat te Zwolle namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 23 oktober 1995 - de aanvrager onder meer ter zake van 1 en 2 telkens "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14, lid 1 van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van
f 10.000,-, subsidiair honderd dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd houdt in:
"Namens de verdachte heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aangevoerd dat haar cliënt heeft voldaan aan de in de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen opgenomen uitzonderingsbepaling van artikel 3 van Pro de Interimwet.
Op grond daarvan neemt haar cliënt het standpunt in dat op grond van de Meststoffenwet hem een referentiehoeveelheid van 16.800 kg fosfaat toekomt. Nu de geproduceerde hoeveelheden in 1992 en 1993 minder bedroegen dan de genoemde hoeveelheid van 16.800 kg fosfaat dient haar cliënt te worden vrijgesproken van de hem onder 1 en 2 telastegelegde feiten.
Het hof verwerpt dit verweer omdat - wat er thans zij van een tijdige Aanvraag van een Hinderwetvergunning voor uitbreiding - uit het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte een investeringsverplichting ten behoeve van de vestiging of uitbreiding, zoals gesteld in de Interimwet, is aangegaan vóór 3 november 1984. Derhalve heeft verdachte niet voldaan aan de eisen gesteld in artikel 3 van Pro de Interimwet."
3.3. Het Hof heeft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde onder meer doen steunen op een proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst, voor zover inhoudende als verklaring van de aanvrager:
"Ik houd op het bedrijf uitsluitend slachtkippen. Ik heb het bedrijf in 1981 gestart. Ik had toen twee schuren met ongeveer 41.400 slachtkippen, waarvoor ik een hinderwetvergunning had. Later heb ik een nieuwe hinderwetvergunning aangevraagd voor 70.000 slachtkippen. Toen in 1988 de hinderwetvergunning afkwam heb ik daarna in 1991 één van de twee stallen gebouwd. Ik heb deze ruimte die een capaciteit heeft voor 15.000 slachtkippen, direct benut. Ik wist dat ik hiermee meer produceerde dan ingevolge de meststoffenwet was toegestaan. In 1992 heb ik de vierde stal gebouwd en daarmee mijn hinderwetvergunning van 70.000 slachtkippen volledig benut. Ik weet dat ik maar een mestquotum heb voor circa 41.000 slachtkippen."
3.4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager destijds wel degelijk investeringsverplichtingen ten behoeve van de uitbreiding van zijn pluimveehouderijbedrijf is aangegaan als bedoeld in art. 3 Interimwet Pro beperking varkens- en pluimveehouderijen (hierna: de Interimwet).
3.5. In de aanvrage wordt miskend dat na inwerkingtreding van art. 14 Meststoffenwet Pro op 1 januari 1987 geen aanspraken meer konden worden ontleend aan de regels van de Interimwet, zodat een mestproducent niet kan profiteren van uitbreidingen die onder de Interimwet waren toegestaan maar onder de werking van die wet niet zijn verwezenlijkt (vgl. HR 30 november 1999, LJN ZD1561, NJ 2000, 94).
3.6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 juli 2010.