ECLI:NL:HR:2010:BN1409

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03727
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van aanbod en aanvaarding bij verkoop appartementsrecht met voorkeursrecht

In deze zaak stond centraal of een koopovereenkomst tot stand was gekomen tussen partijen, waarbij in een splitsingsakte een verplichting was vastgelegd dat het appartementsrecht eerst aan de ander moest worden aangeboden voordat het kon worden verkocht. De vraag was of de aanvaarding van het aanbod tot verkoop had plaatsgevonden, en zo ja, of dit onder een opschortende voorwaarde was gebeurd.

De feiten betroffen een geschil tussen [eiser] en [verweerster] c.s. over de uitleg en toepassing van het voorkeursrecht zoals vastgelegd in de splitsingsakte. De rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam hadden reeds uitspraak gedaan, waarbij het hof het geschil had beoordeeld en een arrest had gewezen.

Tegen dit arrest stelde [eiser] beroep in cassatie in. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de aangevoerde klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Oven en Van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann op 8 oktober 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

8 oktober 2010
Eerste Kamer
09/03727
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats], Oostenrijk,
3. [Verweerster 3],
wonende te [woonplaats], Oostenrijk,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 365856/HA ZA 07-851 van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2007;
b. het arrest in de zaak 200.002.401/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 2 december 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 oktober 2010.