De afwezigheid van strafvorderlijk belang
Bedrijfsactiviteiten klagers
7. Ik zal nu meer specifiek toelichten ten aanzien van welk deel van de in beslag genomen voorwerpen en gegevens een strafvorderlijk belang ontbreekt. Daarbij dient het volgende ter inleiding.
8. De bedrijfsvoering van klagers bestond ten tijde van de inbeslagneming - en overigens nog altijd - niet alleen uit de handel in slib. Door klagers worden ook vele andere afvalstromen verwerkt, zoals bouw- en sloopafval, groenafval, gft-afval. Deze omstandigheid leidt tot de eerste scheiding die met betrekking tot de in beslag genomen bescheiden dient plaats te vinden: alleen gegevens die betrekking hebben op de handel in slib kunnen van belang zijn voor het Duitse strafrechtelijke onderzoek. Niet de overige gegevens, die betrekking hebben op de andere materialen waar klagers zich mee bezig houden. Dat soort andere materialen zijn immers niet door klagers aan [A] geleverd en daarnaast geldt dat het betreffende PFT in Duitsland steeds in slib is aangetroffen, niet in andersoortige materialen.
9. Deze eerste scheiding leidt er reeds toe dat het grootste gedeelte van de in beslag genomen bescheiden dient te worden geretourneerd aan klagers. Van de circa 1000 zogenoemde input klanten, dat wil zeggen klanten die materiaal aan klagers leveren, leveren immers slechts 50 tot 60 klanten (onder meer) slib. De overige klanten leveren nimmer slib. Derhalve dienen naar het oordeel van klagers alle bescheiden die zien op deze overige input klanten aan klagers te worden geretourneerd dan wel, waar het digitale kopieën betreft, te worden vernietigd. Daarbij is nog van belang dat de verschillende afvalstromen en verwerkingsactiviteiten apart worden geadministreerd in verschillende (financiële) administraties. Scheiding is derhalve praktisch gezien goed mogelijk.
10. Daar komt bij dat ten aanzien van de genoemde 50 tot 60 input klanten van klagers die slib leveren, door VROM Inspectie reeds een uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van PFT. Door VROM Inspectie is ten aanzien van deze 50 tot 60 klanten nagegaan of het door hen toegepaste productieproces mee kan brengen dat het van deze klanten afkomstige slib de stof PFT bevat.
11. Naar klagers hebben begrepen heeft dit onderzoek geleid tot een rapport, waarin wordt beschreven dat van de 50 tot 60 genoemde input klanten, circa 5 input klanten, gezien hun productieproces, mogelijkerwijs PFT houdend slibmateriaal kunnen hebben geleverd aan klagers. Gedacht moet worden aan een productieproces inzake waterdicht textiel of vuurvaste braadpannen. In beide gevallen zou sprake kunnen zijn van PFT.
12. In wezen heeft er derhalve reeds een verdere selectie plaatsgevonden, zodat geconcludeerd moet worden dat alleen de in beslag genomen gegevens die betrekking hebben op deze circa 5 door VROM Inspectie geselecteerde input cliënten, redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor het Duitse opsporingsonderzoek. Alle overige gegevens, derhalve ten aanzien van de overige circa 995 input cliënten, dienen naar het oordeel van klagers te worden geretourneerd dan wel, waar het digitale kopieën betreft, te worden vernietigd.
13. Dan de output klanten, dat wil zeggen de klanten die materiaal van klagers afnemen. Dat zijn er in totaal circa 5000, dus vijf keer zo veel als het aantal input klanten. [A] was één van deze 5000 output klanten.
14. Het onderzoek van de Duitse autoriteiten betreft alleen deze output klant, te weten [A], en niet de overige outputklanten. De inbeslagneming en verstrekking aan de Duitse autoriteiten van gegevens die zien op de overige circa 4999 output klanten kan naar het oordeel van klagers dan ook niet bijdragen aan de waarheidsvinding in het Duitse opsporingsonderzoek. Dat onderzoek ziet immers - voor zover hier relevant - op de bron van het slib zoals aangetroffen bij [A]. Ook voor de inbeslagneming van gegevens ten aanzien van de overige 4999 output klanten ontbreekt derhalve een strafvorderlijk belang.