ECLI:NL:HR:2010:BN5907
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- O. de Savornin Lohman
- H.A.G. Splinter-van Kan
- J.W.M. Tijnagel
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsingsvordering rechter wegens onduidelijkheid over machtiging doorzoeking
De Procureur-Generaal vorderde schorsing van een rechterlijk ambtenaar op grond van een ernstig vermoeden dat deze onware verklaringen had afgelegd over het verlenen van een mondelinge en schriftelijke machtiging tot doorzoeking van een woning. De zaak betrof een doorzoeking in een gijzelingssituatie waarbij de rechter-commissaris telefonisch een machtiging zou hebben verleend voor een doorzoeking van een nog onbekend adres.
Tijdens het verhoor door de rechter-commissaris gaf betrokkene aanvankelijk tegenstrijdige verklaringen over het al dan niet verlenen van deze machtiging. Uit het dossier bleek dat een concept-machtiging was opgesteld en ondertekend, maar met onvolledige gegevens en zonder datum. Betrokkene verklaarde dat hij zich de details niet meer precies herinnerde en dat hij vermoedde dat de officier van justitie zijn mededeling als een algemene machtiging had opgevat.
De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van betrokkene niet wezen op een onware verklaring en dat het concept-karakter van het schriftelijke stuk en de omstandigheden rondom de machtiging geen ernstig vermoeden van ongeschiktheid voor het ambt opleverden. De vordering tot schorsing werd daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van eerlijkheid en openheid van rechterlijke ambtenaren, maar stelt ook dat schorsing een zware maatregel is die alleen bij ernstige vermoedens mag worden toegepast. De Hoge Raad vond dat die drempel in deze zaak niet was overschreden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot schorsing af wegens ontbreken van een ernstig vermoeden van ongeschiktheid.