ECLI:NL:HR:2010:BN6124

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04758
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg uiterste wilsbeschikking en waardering bloot eigendom in erfrecht

In deze zaak stond de uitleg van een uiterste wilsbeschikking centraal, waarbij de echtgenoot van de erflaatster, die tevens het recht van gebruik en bewoning had gelegateerd gekregen, op grond van een keuzelegaat gerechtigd was om tegen inbreng van de waarde daarvan het recht op de bloot eigendom van de woning over te nemen.

De kern van het geschil betrof de waardering van het bloot eigendom en de vraag of de rente die de echtgenoot aan de andere erfgenamen verschuldigd was, gelijk moest zijn aan de wettelijke rente vanaf de peildatum voor de waardebepaling.

De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en oordeelde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad benadrukte dat de rentevergoeding niet verder hoefde te worden gemotiveerd omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het principale beroep werd verworpen en het voorwaardelijk incidentele beroep kwam niet aan de orde. De kosten van het cassatiegeding werden zo gecompenseerd dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de waardering van het bloot eigendom en de rentevergoeding zoals vastgesteld door het hof.

Uitspraak

15 oktober 2010
Eerste Kamer
08/04758
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 71922/HA ZA 04-262 van de rechtbank Alkmaar van 23 februari 2005, 13 juli 2005 en 10 mei 2006,
b. de arresten in de zaak met het rolnummer 1353/06 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 november 2007 en 7 augustus 2008.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het principale beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 30 september 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 oktober 2010.