ECLI:NL:HR:2010:BN6126
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- C.A. Streefkerk
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over berusting bij internationale kinderontvoering en toepassing art. 13 lid 1 HKOV
Deze zaak betreft een verzoek van de vader op grond van artikel 12 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) tot onmiddellijke teruggeleiding van zijn kind naar Canada. De moeder was met toestemming van de vader tijdelijk naar Nederland vertrokken maar keerde niet terug, waarna de vader via de Centrale Autoriteit een teruggeleidingsverzoek indiende.
De rechtbank en het gerechtshof verwierpen het verweer van de moeder dat de vader had berust in het definitieve verblijf van het kind in Nederland, een weigeringsgrond op grond van artikel 13 lid 1 aanhef Pro en onder a HKOV. De moeder stelde in cassatie dat het hof ten onrechte een bestendigheidseis aan berusting had verbonden.
De Hoge Raad bevestigde dat berusting slechts onder strenge voorwaarden kan worden aangenomen, waarbij gekeken moet worden naar de gedragingen van de achterblijvende ouder zelf en niet naar de interpretatie daarvan door anderen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat geen sprake was van berusting door de vader, en dat berusting ook kan worden aangenomen op basis van een eenmalige, ondubbelzinnige en weloverwogen instemming, maar dat daarvan in dit geval geen sprake was.
Het beroep van de moeder werd verworpen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de rechter niet verplicht is om op grond van art. 166 lid 1 Rv Pro getuigenverklaringen toe te laten in deze procedure. De uitspraak bevestigt de strenge toetsing van berusting bij internationale kinderontvoering en benadrukt het belang van objectieve gedragingen van de achterblijvende ouder.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; geen sprake van berusting door de vader in het definitieve verblijf van het kind in Nederland.