ECLI:NL:HR:2010:BN6302
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vordering en schuldovername in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende en zijn broer hielden elk vijf certificaten van gewone aandelen in Aannemingsbedrijf BV, terwijl de preferente aandelen werden gehouden door Beleggingen BV, waarvan de vader van belanghebbende aandeelhouder was. In de jaarstukken van Beleggingen BV werd een rekening-courantschuld aan belanghebbende vermeld, die in 2000 werd afgeboekt onder de vermelding 'Overname door Aannemingsbedrijf BV'.
In 2002 bleek dat de financiële situatie van beide vennootschappen zodanig was dat de vorderingen op deze vennootschappen niet meer inbaar waren, waardoor de waarde van de vordering van belanghebbende nihil werd. Belanghebbende stelde dat hij van aanvang af een vordering had op Aannemingsbedrijf BV, maar het Hof achtte dit niet aannemelijk tegenover de betwisting van de Inspecteur.
De Hoge Raad oordeelde dat dit feitelijke oordeel niet in cassatie getoetst kan worden en verwierp het middel dat dit betwistte. Een tweede middel dat het Hof zou hebben moeten oordelen over een ongebruikelijke terbeschikkingstelling volgens artikel 3.92 lid 3 Wet IB 2001 werd eveneens verworpen omdat het gebaseerd was op feiten die niet aan het Hof waren voorgelegd. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof.