ECLI:NL:HR:2010:BN6302

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01213
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.92 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vordering en schuldovername in inkomstenbelastingzaak

Belanghebbende en zijn broer hielden elk vijf certificaten van gewone aandelen in Aannemingsbedrijf BV, terwijl de preferente aandelen werden gehouden door Beleggingen BV, waarvan de vader van belanghebbende aandeelhouder was. In de jaarstukken van Beleggingen BV werd een rekening-courantschuld aan belanghebbende vermeld, die in 2000 werd afgeboekt onder de vermelding 'Overname door Aannemingsbedrijf BV'.

In 2002 bleek dat de financiële situatie van beide vennootschappen zodanig was dat de vorderingen op deze vennootschappen niet meer inbaar waren, waardoor de waarde van de vordering van belanghebbende nihil werd. Belanghebbende stelde dat hij van aanvang af een vordering had op Aannemingsbedrijf BV, maar het Hof achtte dit niet aannemelijk tegenover de betwisting van de Inspecteur.

De Hoge Raad oordeelde dat dit feitelijke oordeel niet in cassatie getoetst kan worden en verwierp het middel dat dit betwistte. Een tweede middel dat het Hof zou hebben moeten oordelen over een ongebruikelijke terbeschikkingstelling volgens artikel 3.92 lid 3 Wet IB 2001 werd eveneens verworpen omdat het gebaseerd was op feiten die niet aan het Hof waren voorgelegd. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof.

Uitspraak

Nr. 09/01213
10 september 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 februari 2009, nr. 08/00001, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5888) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende en zijn broer hielden elk vijf certificaten van gewone aandelen in A B.V. (hierna: Aannemingsbedrijf BV). De overige 90 (preferente) aandelen werden gehouden door B B.V. (hierna: Beleggingen BV). De aandelen in Beleggingen BV werden gehouden door de vader van belanghebbende.
3.1.2. In de jaarstukken van Beleggingen BV van 2000 is onder kortlopende schulden een rekening-courantschuld aan belanghebbende vermeld, evenals een afboeking van het saldo van deze schuld van ƒ 353.570 onder vermelding van "Overname door A B.V.". In de jaarstukken van Aannemingsbedrijf BV van 2001 is onder kortlopende schulden een rekening-courantschuld aan belanghebbende vermeld van - zowel ultimo 2000 als ultimo 2001 - ƒ 353.570.
3.1.3. In 2002 is gebleken dat de financiële situatie van Beleggingen BV en Aannemingsbedrijf BV zodanig was dat de vorderingen op deze vennootschappen niet meer inbaar waren. Derhalve bedraagt de waarde van de vordering van belanghebbende ultimo 2002 nihil.
3.2. Het Hof heeft belanghebbendes stelling dat hij van aanvang af een vordering heeft gehad op Aannemingsbedrijf BV, welke vordering bij Beleggingen BV slechts is geadministreerd, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk geacht.
3.3. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel 1, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt derhalve.
3.4.1. Middel 2 klaagt dat het Hof, uitgaande van het oordeel dat sprake was van een vordering op Beleggingen BV, heeft nagelaten te oordelen dat sprake was van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.92, lid 3, Wet IB 2001.
3.4.2. Het middel gaat uit van feiten waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan. Daarop kan geen acht worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Middel 2 kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2010.