ECLI:NL:HR:2010:BN7093
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-toepassing art. 359 lid 2 Sv in WOTS-procedure
In deze zaak stond het beroep in cassatie van een veroordeelde centraal tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over de overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS).
De veroordeelde stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom zij was afgeweken van het standpunt van de verdediging dat zware detentieomstandigheden in het buitenland meegewogen moesten worden bij de omzetting van de buitenlandse straf. De verdediging baseerde dit op de motiveringseisen van art. 359 lid 2 Sv Pro.
De Hoge Raad stelde echter vast dat art. 359 lid 2 Sv Pro ex art. 31 lid 1 WOTS Pro niet van toepassing is op WOTS-procedures. Hierdoor faalt het middel dat op deze grondslag was gebaseerd. Ook de overige middelen konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de rechtspraak omtrent de toepassing van motiveringsregels in WOTS-zaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat art. 359 lid 2 Sv niet van toepassing is in WOTS-procedures.