ECLI:NL:HR:2010:BN7103
Hoge Raad
- Cassatie
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt termijn voor inzending stukken bij cassatie in ontnemingszaak
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis, waardoor een inzendingstermijn van acht maanden gold in plaats van zes maanden.
De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden omdat de stukken niet binnen zes maanden waren ingezonden. De Hoge Raad overwoog dat de langere termijn van acht maanden van toepassing was, conform eerdere jurisprudentie (HR 17 juni 2008, LJN BD2578).
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het bedrag van de ontneming werd verminderd en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad verwierp het beroep uiteindelijk omdat de inzendingstermijn niet was overschreden.
Het arrest bevestigt de toepassing van de redelijke termijn in cassatieprocedures en verduidelijkt de termijn van inzending van stukken bij ontnemingszaken zonder voorlopige hechtenis.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de inzendingstermijn van acht maanden niet is overschreden.