ECLI:NL:HR:2010:BN7103

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01538 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt termijn voor inzending stukken bij cassatie in ontnemingszaak

In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis, waardoor een inzendingstermijn van acht maanden gold in plaats van zes maanden.

De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden omdat de stukken niet binnen zes maanden waren ingezonden. De Hoge Raad overwoog dat de langere termijn van acht maanden van toepassing was, conform eerdere jurisprudentie (HR 17 juni 2008, LJN BD2578).

De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het bedrag van de ontneming werd verminderd en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad verwierp het beroep uiteindelijk omdat de inzendingstermijn niet was overschreden.

Het arrest bevestigt de toepassing van de redelijke termijn in cassatieprocedures en verduidelijkt de termijn van inzending van stukken bij ontnemingszaken zonder voorlopige hechtenis.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de inzendingstermijn van acht maanden niet is overschreden.

Uitspraak

23 november 2010
Strafkamer
nr. 09/01538 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 januari 2009, nummer 22/005778-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken niet binnen zes maanden na het instellen van het cassatieberoep zijn ingezonden.
2.2. De betrokkene bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep tegen de onderhavige ontnemingsbeslissing niet in voorlopige hechtenis.
Daarom geldt hier een inzendingstermijn van acht maanden (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.3).
Die termijn is niet overschreden zodat het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 november 2010.