ECLI:NL:HR:2010:BN8535
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf onder BOPZ
In deze zaak stond de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de BOPZ centraal. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de plannenlijst en probleemlijst als behandelingsplan en medische aantekeningen werden overgelegd, en tegen de interpretatie van artikel 17 lid 3 BOPZ Pro.
De Hoge Raad bevestigde dat een machtiging tot voortgezet verblijf een maximale geldigheidsduur van één jaar heeft na de dagtekening. Belangrijk is dat de duur van de verleende machtiging niet hoeft te worden verminderd met de periode tussen het verlopen van de vorige machtiging en het verlenen van de opvolgende machtiging, zolang het verzoek om verlenging is ingediend voordat de vorige machtiging was verlopen.
De klachten van betrokkene konden niet leiden tot cassatie, en de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitspraak bevestigt de rechtszekerheid en de juiste toepassing van de BOPZ-regelgeving omtrent machtigingen tot voortgezet verblijf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf niet hoeft te worden bekort met de periode tussen het verlopen van de vorige machtiging en het verlenen van de nieuwe.