Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BN8731

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02151
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 2 AWR (oud)Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing omkering bewijslast bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting

In deze zaak is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 1992, inclusief een verhoging van honderd procent wegens vermeende onjuiste aangifte. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Amsterdam werd de aanslag gedeeltelijk kwijtgescholden. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor herbeoordeling.

Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de navorderingsaanslag en de uitspraak van de Inspecteur. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat het Hof terecht de normale regels van stelplicht en bewijslast had toegepast en geen omkering van de bewijslast had aangenomen, omdat niet was vastgesteld dat de aangifte inhoudelijke gebreken vertoonde die leidden tot een aanzienlijk lagere belastingaanslag dan verschuldigd.

De Hoge Raad verwierp het middel en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Hiermee is bevestigd dat bij navorderingsaanslagen niet zonder meer de bewijslast wordt omgekeerd bij vermeende onjuiste aangifte, maar dat dit aan strikte voorwaarden is gebonden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat geen omkering van de bewijslast plaatsvindt.

Uitspraak

Nr. 09/02151
1 oktober 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 april 2009, nr. BK-06/00007, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het jaar 1992 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dit hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor wat betreft het kwijtscheldingsbesluit, en de verhoging gedeeltelijk kwijtgescholden.
2. Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2006, nr. 41679, LJN AU9524, BNB 2006/243, vernietigd met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof is voorbijgegaan aan de stelling van de Inspecteur dat de bewijslast diende te worden omgekeerd omdat een onjuiste aangifte was gedaan, kan het op grond van het navolgende niet tot cassatie leiden.
4.2. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, LJN BH1083, BNB 2010/47). Het Hof heeft derhalve terecht aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast beoordeeld of sprake is van een uitdeling door F B.V. aan belanghebbende. In 's Hofs oordeel dat dit laatste niet het geval is, ligt besloten het oordeel dat het niet heeft ontbroken aan het door belanghebbende doen van de vereiste aangifte, zodat omkering van de bewijslast op de door de Inspecteur gestelde grond niet aan de orde kon komen. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
4.3. Het middel faalt ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2010.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.