ECLI:NL:HR:2010:BN9412

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01050 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 SvArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken novum bij medeplegen drugshandel

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek voldeed aan de wettelijke eisen voor herziening, met name of er sprake was van een novum, dat wil zeggen nieuwe feiten of omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.

De aanvrager stelde dat nieuwe feiten en omstandigheden mogelijk tot een ander oordeel hadden geleid. De Hoge Raad oordeelde dat een enkele mogelijkheid onvoldoende is; er moet sprake zijn van een ernstig vermoeden. Omdat dit niet was aangetoond, kon het verzoek niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, opgelegd door het hof. Hiermee werd het arrest van het hof definitief gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een novum.

Uitspraak

5 oktober 2010
Strafkamer
Nr. 10/01050 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 augustus 2007, nummer 24/001859-06, ingediend door mr. N. Hendriksen, advocaat te Amsterdam namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 24 juli 2006 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder
2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
Een dergelijke omstandigheid wordt als "novum" aangeduid.
3.2. De aanvrage berust op de stelling dat "nieuwe feiten en omstandigheden (...) mogelijk tot een ander oordeel hadden geleid". Die enkele "mogelijkheid" is niet voldoende om van een novum te kunnen spreken. Vereist is een "ernstig vermoeden" als hiervoor onder 3.1 bedoeld.
3.3. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 oktober 2010.