ECLI:NL:HR:2010:BN9463
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Pandrecht op restitutievorderingen bij faillissement ontstaat pas door beëindigingsovereenkomst
In deze zaak stond centraal of restitutievorderingen die voortvloeien uit beëindigde overeenkomsten vóór het faillissement als bestaande vorderingen konden worden aangemerkt en daarmee belast waren met een pandrecht van de bank. [A] B.V. had een kredietovereenkomst met ING Bank en had haar vorderingen verpand, waaronder bestaande en uit bestaande rechtsverhoudingen voortvloeiende vorderingen. Na surseance en faillissement beëindigde de curator diverse overeenkomsten, waarna restituties werden ontvangen en de bank stelde dat deze vorderingen reeds bestonden en belast waren met pandrecht.
De curator stelde dat de restitutievorderingen pas ontstonden door de beëindigingshandelingen van de curator, zoals opzeggingen, en dat deze vorderingen dus toekomstig waren bij surseance en onbelast in de boedel vielen. De rechtbank wees de vorderingen van de bank af. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie door ontbinding of opzegging van een overeenkomst pas ontstaan door die beëindigingshandelingen. Hierdoor wordt de rechtsverhouding ingrijpend gewijzigd en ontstaan nieuwe verbintenissen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de bank en oordeelde dat het toekennen van pandrecht op deze restitutievorderingen niet mogelijk is omdat deze vorderingen pas na faillissement zijn ontstaan. De bank werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat restitutievorderingen pas door beëindigingshandelingen ontstaan en onbelast in de boedel vallen.