ECLI:NL:HR:2010:BN9660
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 22 Wet verontreiniging oppervlaktewateren bij verontreinigingsheffing
Belanghebbende, een visverwerkingsbedrijf, kreeg voor het jaar 2004 een aanslag verontreinigingsheffing opgelegd door het Waterschap Zuiderzeeland, gebaseerd op een afvalwateronderzoek. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag verminderd, maar het hof vernietigde deze uitspraak en stelde de aanslag opnieuw vast met een lagere vervuilingseenheid.
In cassatie stond centraal of het aantal vervuilingseenheden volgens artikel 20 van Pro de Wet verontreiniging oppervlaktewateren moest worden berekend of volgens artikel 22, dat een afwijkende berekeningswijze voorschrijft voor situaties met minder dan 1000 vervuilingseenheden. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 22 de Pro heffingplichtige het recht geeft om in afwijking van artikel 20 het Pro aantal vervuilingseenheden vast te stellen volgens de formule en tabel van artikel 22.
Het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water geeft nadere regels voor het bepalen van de vervuilingswaarde, waarbij de inspecteur ambtshalve of de heffingplichtige op aanvraag de vervuilingswaarde kan laten bepalen via meting en analyse. De Hoge Raad bevestigde dat ook bij gebruikmaking van deze bevoegdheid artikel 22 van Pro de Wet van toepassing blijft.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat bij een aantal vervuilingseenheden onder de 1000 de forfaitaire tabelwaarde van artikel 22 van Pro de Wet leidend is, tenzij anders is vastgesteld via representatieve metingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing wordt bevestigd op basis van artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.