ECLI:NL:HR:2010:BO0404

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00671
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67e AWRArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt boetebeschikkingen inkomstenbelasting 1999-2000 wegens onvoldoende motivering opzet

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen en boetes opgelegd over de jaren 1999 en 2000, alsmede een aanslag en boete over 2001. De navorderingsaanslagen en heffingsrente werden deels verminderd na bezwaar, maar de boetes werden gehandhaafd. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond voor zover het de boetes betrof en vernietigde deze deels. Het hof vernietigde vervolgens de uitspraak van de rechtbank over de boetes van 1999 en 2000 en bevestigde de uitspraak over 2001.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het opzet van belanghebbende aannemelijk was. Het enkel constateren dat een aanzienlijk deel van de omzet en winst niet was verantwoord, is onvoldoende om opzet te bewijzen. De berekeningen van de inspecteur bevatten geen aanwijzingen over bewustheid van onjuistheid door belanghebbende.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de boetes over 1999 en 2000 betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het opzet. Tevens werd de Minister van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de boetebeschikkingen over 1999 en 2000 wegens onvoldoende motivering van opzet en verwijst de zaak terug naar het hof.

Uitspraak

Nr. 09/00671
15 oktober 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2009, nrs. P07/00472 tot en met P07/00474, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslagen, en de beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaren, bij uitspraken van de Inspecteur verminderd. De boetebeschikkingen zijn bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar, alsmede tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de door hem tegen de aanslag en de beschikkingen met betrekking tot jaar 2001 gemaakte bezwaren, in beroep gekomen bij de Rechtbank te Haarlem. Nadien heeft de Inspecteur alsnog uitspraak gedaan op de bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen met betrekking tot jaar 2001, bij welke uitspraken de aanslag en de beschikkingen zijn gehandhaafd.
De Rechtbank (nrs. 05/5390, 05/5389 en 05/5392) heeft de tegen deze uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, doch enkel voor zover betrekking hebbend op de boeten, de uitspraken van de Inspecteur in zoverre vernietigd, de boeten met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 verminderd en de boete met betrekking tot het jaar 2001 vernietigd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2001 bevestigd, de uitspraken van de Rechtbank met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 vernietigd voor zover betrekking hebbend op de boeten en die uitspraken voor het overige bevestigd, de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikkingen betreft, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de voor die jaren opgelegde boeten en deze boeten verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het aan belanghebbendes opzet te wijten is dat de primitieve aanslagen over de jaren 1999 en 2000 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Het Hof heeft dit doen steunen op het oordeel dat de Inspecteur met zijn, door het Hof als een redelijke benadering van belanghebbendes omzet aangemerkte, berekeningen aannemelijk maakt dat belanghebbende over de jaren 1999 en 2000 een aanzienlijk deel van zijn omzet en winst niet in zijn administratie heeft verantwoord en in de aangiften heeft verzwegen.
3.2. De middelen II en III klagen er onder meer over dat het Hof niets heeft vastgesteld over de bewustheid van belanghebbende ten aanzien van het beboetbare feit.
3.3. De middelen slagen in zoverre. Nu belanghebbende voor het Hof betwist had dat sprake was van opzet, diende het Hof in zijn uitspraak te vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden het tot zijn oordeel omtrent de aanwezigheid van opzet was gekomen. De motivering die het Hof heeft gegeven, is op dit punt ontoereikend. De enkele omstandigheid dat een aanzienlijk deel van de omzet en winst niet in de administratie is verantwoord en niet in de aangiften is vermeld, rechtvaardigt nog niet de slotsom dat de belastingplichtige te dien aanzien opzet kan worden verweten. De verwijzing van het Hof naar door de Inspecteur gemaakte berekeningen vormt hiervoor evenmin een toereikende motivering, omdat die berekeningen geen aanwijzingen bevatten omtrent bewustheid van belanghebbende met betrekking tot de onjuistheid of onvolledigheid van zijn (administratie en daarop gebaseerde) aangiften.
3.4. Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de vraag of het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat aanvankelijk over de jaren 1999 en 2000 te weinig belasting is geheven.
4. Proceskosten
De Minister van Financien zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaak met nummer 09/00672 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de over de jaren 1999 en 2000 opgelegde boeten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 107, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.