ECLI:NL:HR:2010:BO1805
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verplichting tot beloning bestuurders op grond van redelijkheid en billijkheid in vennootschapsverhoudingen
In deze zaak stond centraal de vraag of een vennootschap verplicht kan zijn tot het toekennen van een beloning aan haar bestuurders uitsluitend op grond van de redelijkheid en billijkheid die de vennootschapsverhoudingen mede beheersen. Eiseressen stelden dat deze verplichting voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid, terwijl verweerster dit betwistte.
Het geding in de feitelijke instanties begon bij de rechtbank Haarlem, waarna het gerechtshof Amsterdam het geschil behandelde. Tegen het arrest van het hof werd cassatie ingesteld door eiseressen, terwijl verweerster voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep.
De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en verwierp het cassatieberoep van eiseressen. De Hoge Raad overwoog dat de klachten niet leiden tot cassatie en dat een verplichting tot beloning niet uitsluitend kan worden afgeleid uit de redelijkheid en billijkheid binnen vennootschapsverhoudingen. Het incidentele beroep van verweerster kwam niet aan de orde.
De Hoge Raad veroordeelde eiseressen in de kosten van het cassatiegeding en sprak het arrest uit op 17 december 2010. Hiermee werd bevestigd dat de vennootschapsverhoudingen niet zonder meer een zelfstandige verplichting tot beloning van bestuurders scheppen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en er is geen zelfstandige verplichting tot beloning van bestuurders op grond van redelijkheid en billijkheid.