ECLI:NL:HR:2010:BO3624
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dubbele boetebeschikking omzetbelasting en ne bis in idem
Belanghebbende, een vennootschap onder firma actief in vastgoedbemiddeling en administratie, kreeg over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2002 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd met daarbij verzuimboetes wegens te late betaling of niet-indiening van aangiften. Tevens werd een vergrijpboete opgelegd wegens het willens en wetens niet voldoen aan belastingverplichtingen.
Het hof stelde vast dat de vergrijpboete deels betrekking had op dezelfde feiten als de verzuimboetes, wat leidde tot dubbele bestraffing. Omdat de verzuimboetes al waren opgelegd voor de periode juli 2001 tot en met september 2002, oordeelde het hof dat de vergrijpboete voor die periode moest vervallen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het niet aankomt op het bedrag van de naheffingsaanslagen, maar op de omschrijving van de beboetbare gedragingen.
Voor het tijdvak oktober 2002 was geen verzuimboete opgelegd, zodat een vergrijpboete daarvoor in beginsel mogelijk was, maar het hof oordeelde dat de vergrijpboete ook die periode niet betrof. De Hoge Raad vond dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de vergrijpboete vervalt voor zover deze betrekking heeft op de periode met reeds opgelegde verzuimboetes.