ECLI:NL:HR:2010:BO5364
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet bij illegale afvalstorting
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over het illegaal storten van bedrijfsafval, waaronder vervuilde grond vermengd met kunststof, blik, steen en andere materialen, op percelen nabij de a-straat en b-straat.
De bewezenverklaring rust op verklaringen van de verdachte, politieprocessen-verbaal, en getuigenverklaringen die het storten van afvalstoffen bevestigen. Het hof oordeelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn medeverdachte de afspraken omtrent toezicht zou schenden, en concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het buiten een inrichting storten van afvalstoffen.
De Hoge Raad vernietigt echter het arrest uitsluitend wat betreft de tenlastelegging onder 4 en de strafoplegging, omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de enkele omstandigheid van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op anders handelen door de medeverdachte leidt tot het oordeel van voorwaardelijk opzet bij verdachte.
De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van dat onderdeel, en verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 30 november 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering voor voorwaardelijk opzet en verwijst de zaak terug naar het hof.