ECLI:NL:HR:2010:BO7507

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00326
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a, lid 1, AWRArt. 8:41, lid 1, AwbArt. 29a, lid 4, AWRArt. 8:41, lid 2, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht bij meerdere belanghebbenden

De zaak betreft een beroep in cassatie ingesteld door een gemachtigde namens drie besloten vennootschappen, waaronder belanghebbende, tegen uitspraken van de Rechtbank te Haarlem. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. Belanghebbende had hiertegen verzet aangetekend, maar dit werd ongegrond verklaard.

De griffier van de Hoge Raad had de gemachtigde per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht voor elk van de drie vennootschappen afzonderlijk, met een betalingstermijn van vier weken. De gemachtigde betaalde slechts één griffierecht onder vermelding van samenhangende uitspraken, terwijl het beroepschrift niet samenhangende uitspraken betrof. Hierdoor werd de betaling niet als voldoende beschouwd.

Op grond van artikel 29a, lid 1, AWR, en artikel 8:41, lid 1, Awb, is eenmaal griffierecht verschuldigd indien het beroep betrekking heeft op samenhangende uitspraken. Omdat hier sprake was van niet-samenhangende uitspraken en meerdere belanghebbenden, was meermaals griffierecht verschuldigd. Belanghebbende maakte geen gebruik van de gelegenheid om te reageren op de brief van de griffier.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het verschuldigde griffierecht en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

nr. 10/00326
17 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 11 september 2009, nr. AWB 09/909, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 juni 2009, nr. AWB 09/909.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 22 juni 2009 het tegen een uitspraak op bezwaar van de Inspecteur ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald.
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De gemachtigde van belanghebbende heeft met één geschrift namens drie besloten vennootschappen, waaronder belanghebbende, beroep in cassatie ingesteld tegen (onder meer) de hiervoor in de aanhef vermelde uitspraak van de Rechtbank. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
3.1. De griffier van de Hoge Raad heeft aan de gemachtigde voor ieder van de drie hiervoor onder 2 bedoelde vennootschappen afzonderlijk een aangetekende brief, gedagtekend 23 maart 2010, gezonden waarin is gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Van de ten aanzien van belanghebbende verzonden brief is een ontvangstbevestiging binnengekomen.
De gemachtigde heeft, onder vermelding van één van de drie griffierechtnota's, niet zijnde de nota voor belanghebbende, griffierecht betaald, en daarbij vermeld '1 x recht verschuldigd voor 09/4183 + 10/325 + 326 wegens samenhangende uitspraken'. De griffier van de Hoge Raad heeft deze betaling niet aangemerkt als een betaling van het door belanghebbende verschuldigde griffierecht.
3.2. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende in verband daarmee bij aangetekende brief van 3 mei 2010, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3.3. Artikel 29a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR)luidt:
'Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van de Hoge Raad een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.'
Voormelde bepaling dient wat betreft het begrip indiener op een overeenkomstige wijze te worden uitgelegd als artikel 8:41, lid 1, Awb. Voor die uitleg wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van heden, nummer 09/04183, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht.
Het beroep in cassatie moet derhalve op grond van artikel 29a, lid 4, van de AWR in samenhang met 8:41, lid 2, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.F. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2010.