ECLI:NL:HR:2011:BO2915

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02786
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens schending artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij vervolging bezit vals paspoort

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van de verdachte wegens het bezit van een vals paspoort. Het hof oordeelde dat het OM te lichtvaardig had gehandeld door niet de vereiste behoedzaamheid te betrachten en de statusdeterminatie van de verdachte niet af te wachten, waardoor niet kon worden uitgesloten dat artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing was.

Artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag beschermt vluchtelingen tegen strafrechtelijke vervolging wegens illegale binnenkomst of verblijf, mits zij zich zonder vertraging melden bij de autoriteiten en goede redenen voor hun illegale verblijf kunnen aantonen. De Hoge Raad herhaalt in dit arrest de relevante overwegingen uit een eerder arrest (LJN BI1325) dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen illegale binnenkomst en het bezit van valse identiteitspapieren in het kader van artikel 31.

De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof, dat het OM niet-ontvankelijk is wegens het niet afwachten van de statusdeterminatie en het onvoldoende in acht nemen van de belangenafweging, niet onbegrijpelijk of onjuist is. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet afwachten van de statusdeterminatie op grond van artikel 31 Vluchtelingenverdrag.

Uitspraak

8 maart 2011
Strafkamer
nr. 09/02786
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juni 2009, nummer 23/000404-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman van de verdachte, mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
2.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 24 november 2007 te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer in het bezit was van een reisdocument, te weten een ten name van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1975, gesteld paspoort van Finland, voorzien van het nummer [001], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was."
2.3. Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard en daartoe in essentie overwogen hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 is weergegeven, waarbij de conclusie van het Hof luidt:
"Nu naar het oordeel van het hof niet de vereiste behoedzaamheid is betracht bij de beantwoording van de vraag of de verdachte binnen het bereik van de bescherming van art. 31-1 Verdrag valt en diens statusdeterminatie niet is afgewacht, kan niet worden uitgesloten dat deze verdragsbepaling op hem van toepassing is. Dit betekent dat in het geval van de verdachte het openbaar ministerie te lichtvaardig tot vervolging is overgegaan. Dit leidt tot het oordeel dat het openbaar ministerie in dit stadium niet in de vervolging van de verdachte kan worden ontvangen. Het hof zal het OM daarom niet-ontvankelijk verklaren."
2.4.1. Art. 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag; Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88) luidt:
"The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence."
2.4.2. In zijn arrest van 13 oktober 2009 (LJN BI1325, NJ 2009/531) heeft de Hoge Raad overwogen dat voor de beoordeling van een beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro geen onderscheid moet worden gemaakt tussen "illegal entry or presence" enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds. Een andersluidende opvatting doet onvoldoende recht aan de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro om vluchtelingen onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens "illegal entry or presence" en zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekort doen.
2.5. Het Hof heeft met zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en in het bijzonder het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging door tot vervolging over te gaan terwijl het, onder de omstandigheden als door het Hof weergegeven en vastgesteld, "niet evident is dat de verdachte niet de bescherming geniet van artikel 31-1 Verdrag" en "in deze de statusdeterminatie niet is afgewacht".
Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat deze belangenafweging plaats moet vinden in het licht van de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro, zoals deze hiervoor onder 2.4 is uiteengezet.
2.6. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.F. Groos en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 maart 2011.