2.3.2. Het Hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:
"1.3.1. Voor zover hier van belang heeft de getuige [getuige 1] over de confrontatie van verdachte met [slachtoffer] -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:
Omstreeks 18.30 uur kwam er een vreemde jongen voor mij staan. Wij stonden, daarmee bedoel ik [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en een vriend genaamd [getuige 2], in de tent. Wij stonden met z'n drieën bij elkaar. Ik voelde dat de jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer]) met zijn hand over mijn kont ging. Ik duwde de jongen toen van mij af. Ik zei ook tegen de jongen dat hij weg moest gaan. Ik zag dat de jongen terugkwam en de jongen probeerde wederom aan mij te zitten. Ik voelde dat een hand van de jongen over mijn been, onder mijn rok kwam. Ik duwde de jongen weer van mij af en ik zag dat de jongen wegliep, volgens mij de tent uit.
Op een bepaald moment voel ik een duw in mijn rug. Ik zag toen dat mijn vriend [verdachte] de jongen vastpakte bij zijn keel. Ik zag dat [verdachte] de jongen met een hand vastpakte bij zijn keel en dat [verdachte] riep "ophouden". Ik zag dat de jongen [verdachte] ook probeerde vast te pakken en ik zag dat de jongen zijn vuisten gebald had om [verdachte] te slaan. Ik zag toen dat [verdachte] de jongen een kopstoot gaf. Ik zag dat de jongen naar achteren ging en zijn hand aan zijn mond hield, ik zag dat de jongen naar zijn hand keek en wegliep.
1.3.2. Voor zover hier van belang heeft de getuige [getuige 2] over de confrontatie van verdachte met [slachtoffer] -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:
Omstreeks 19.00 uur stond ik met [verdachte] en [getuige 1] in de tent. Ik zag dat er een onbekende jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer]) diverse keren opzettelijk tegen [getuige 1] aanliep. Ik zag toen dat [verdachte] hierover boos werd en de jongen bij zijn keel pakte. Ik zag dat [verdachte] de jongen met een hand bij zijn keel pakte. [Verdachte] wilde dat de jongen weg bleef uit de buurt van zijn vriendin. [Verdachte] wilde de jongen de tent uit duwen. Ik zag toen dat de jongen zijn vuisten balde en uit wilde halen naar [verdachte]. Op dat moment waren de hoofden van de jongen en [verdachte] heel dicht bij elkaar en ik zag dat [verdachte] de jongen een kopstoot gaf.
1.3.3. Voor zover hier van belang heeft de verdachte tegenover de politie - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Ik ben naar de jongen toegelopen en heb hem bij zijn keel vastgepakt. Hij maakte zich breed en ik zag dat hij zijn handen tot vuisten balde. Ik dacht op dat moment dat hij mij een klap wilde geven en daarom heb ik hem opzettelijk en met kracht een kopstoot gegeven. Ik raakte met mijn voorhoofd hem tegen zijn tanden. Ik zag dat zijn neus begon te bloeden.
1.4. Uit de even weergegeven verklaringen blijkt, dat het slachtoffer [slachtoffer] door de verdachte bij de keel is gegrepen. Dat [slachtoffer] daarop heeft gereageerd door zijn vuisten te ballen vermag het hof geenszins te zien als (dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer]. Integendeel was er door dat bij de keel grijpen juist sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] door de verdachte, waartegen [slachtoffer] zich mocht verdedigen.
Nu er geen sprake geweest is van een noodweersituatie faalt ook het noodweerexces-verweer. Het hof verwerpt het verweer in zijn beide onderdelen."